1 maart 2022
Het is nooit makkelijk geweest om ertussen te komen bij
een literaire uitgeverij, in mijn geval is er tenminste een
hele strategie aan voorafgegaan. Toentertijd woonde ik in
een opgeknapte bouwkeet in de bossen bij Ede, met
uitzicht op onze twee paarden. Ik was actief bij de
plaatselijke Groenen en stelde daar voor om de
Amsterdamse politicus en schrijver Roel van Duijn voor
een lezing uit te nodigen. Stiekem ging het me ook om
iets anders: in het woonwagentje naast de bouwkeet
werkte ik aan mijn eerste roman, Van Duijn publiceerde bij
Meulenhoff, wie weet.
Op de dag van de lezing haalden we onze spreker van de
trein in een stationcar die alleen voorstoelen had, zodat ik
zelf languit achterin moest liggen, Roel van Duijn vond dat
prachtig. Niet lang later stuurde ik hem het manuscript
van mijn roman, dat hij zoals gehoopt naar Meulenhoff
doorspeelde. De uitgeverij stuurde het me terug met een
brief van de directeur erbij. ‘Sommige passages zijn wat
extreem, kunt u die misschien aanpassen?’
Boos smeet ik het manuscript opzij, mijn boek was perfect!
Na een paar maanden kwam ik tot inkeer en stuurde een
nieuwe versie op, waarna ik meteen werd gebeld door de
directeur. ‘We waren al bang dat we niets meer zouden
horen, Meulenhoff wil dit debuut graag publiceren.’
Sprakeloos was ik, letterlijk sprakeloos.