MARIËT  MEESTER

Mei 2015

De blog over Roma is voorlopig beëindigd. Hieronder zijn alle verschenen afleveringen nog te lezen. In het fotoboek What David Sees / Wat David ziet staat een lang tweetalig verhaal (Nederlands en Engels), dat de periode 2005-2014 beschrijft. Het kan worden gezien als een vervolg op het boek Sla een spijker in mijn hart en is te bestellen via uitgeverij Philip Elchers.  

___________________________________________________________________


11 juni 2014

Er is ook nog wel eens goed nieuws over Roma.

       In 1990 leerden wij een Roemeense Rom uit een provinciestadje kennen, Ion Vasile. Hij kon niet aanzien dat de kinderen in zijn wijk niet naar school gingen, daarom verzamelde hij wat oude schoolbanken en zette ze in zijn woonkamer. Roma-kinderen van alle leeftijden meldden zich. Sommigen droegen geen schoenen, anderen hadden nog nooit een pen vastgehouden, maar 's ochtends om zeven uur bonsden ze al op de deur, zo graag wilden ze leren lezen en schrijven.

       Algauw werd de woonkamer te klein, er moest een gebouwtje komen. Het bleek niet moeilijk te zijn om er in Nederland geld voor te vinden. De school werd nu gehuisvest in een tweekamerwoning in dezelfde wijk. De aankooptransactie ging gepaard met de overhandiging van een plastic zak vol bankbiljetten.

      In het nieuwe schooltje meldden zich nog meer kinderen, er kwam personeel. Een aantal leerlingen stroomde door naar de officiële basisschool. Daar werd het nut van het Roma-schooltje ook ingezien, met als gevolg dat het werd ingelijfd in het Roemeense onderwijssysteem. Nederlandse bemoeienissen waren overbodig geworden, de leerkrachten kregen nu een staatssalaris. Het vijftienjarig jubileum in 2005 was een prachtige dag.

      En ja, het Roma-schooltje bestaat nog steeds. Het is een kleuterschool geworden. Vorige week zijn we er geweest, want één kwestie was nog steeds niet opgehelderd: van wie is het gebouw? Aan de plastic zak vol geld kwam destijds geen notaris te pas. Een ngo uit Zwitserland wil een opknapbeurt betalen, maar dan moet eerst de juridische status duidelijk zijn.

       Gezeten op mini-stoeltjes hebben we overlegd in de gang van de school. De oprichter was erbij, binnenkort wordt hij vijfenzestig. Zijn nicht, een energieke jonge vrouw die de jongste kleuters lesgeeft, was er ook. Onze beraadslagingen werden gevolgd door een oud-leerlinge die binnenkort naar de universiteit gaat. Intussen zag ik ouders hun kinderen brengen. Voor de duidelijkheid: al deze personen waren Roma ofwel zigeuners.

    De volgende generatie, het nichtje, gaat nu proberen alles te regelen en wordt stichtingsvoorzitter. De oprichter wordt benoemd tot ere-voorzitter. Of ik er zelf weer bij zal zijn weet ik niet, maar ik voorspel dat volgend jaar het eerste Roma-schooltje van Roemenië het vijfentwintigjarig bestaan zal vieren. Ik hoop dat het gebouw, dat een torentje heeft, dan vrolijk rood of geel gepleisterd zal zijn.

___________________________________________________________________


22 augustus 2013

Florin Cioaba has died, the King of the Roma. Or no, sorry, the 'self-proclaimed King of the Roma'. In literally every news-item or Facebookcomment this formulation is used. It's derogatory and unnessecary. To my knowledge nearly all kings initially are self-appointed, but that is forgotten after a number of generations. Moreover, it's such a mouthful to say all the time: 'The self-proclaimed King Willem-Alexander of the Netherlands'. In the case of Florin Cioaba his father Ion Cioaba did let himself be crowned king in 1992. Not so many years later he died, and his son was his natural successor.

        I have known Florin Cioaba. It was difficult to dislike him. He seemed even a little shy. He lived in Sibiu, a picturesque town in Transylvania. I have visited the house of the family several times. The first time, in the nineties, when Romania was still very gray, I breathed a sigh of relief when I saw a red sports car in the yard. Colour! The whole family was pleasantly colored, because the Cioaba's are among the most traditional Roma, whose women have the habit to wear braids and long skirts to the ankles. One of Florin's sisters was Luminita, not only a princess but also a poet. She lived alone in a humble apartment across the street.

      When I visited the Cioaba family again in 2004 or 2005 there were all kind of surprises. First, their house was much less luxurious than I remembered. Some Roma meanwhile had built  houses that looked like palaces. Compared with those this was quite an ordinary house. A short distance away stood a small but beautiful white church, with next to it a lot of scrap metal. Nearly the whole family had converted to the Pentecostal faith. Florin had become a pastor. For him that was the real purpose of his life. Of course I'm not naive, the kingship gave him advantages, but he also used those benefits to lobby for the position of the Roma. Education is the most important thing, he told incessantly.

          By coicidence I arrived on a sunday, so I attended a church service, led by Florin. I noticed that the traditional dress of the women had changed as well, modern fabrics were used for the long skirts. Florin's wife was wearing one made of denim. After the service we went to the house of the Cioaba's and ate the leftovers from a party. The photo is made by a family member. Florin - I'm at his left - told me that he regretted to have married off his daughter at a too young age. Many European newspapers wrote about it. He had learned from all the fuss.

         Luminita, his sister, the poet, had developed into a filmmaker. She showed me video recordings she wanted to use for a documentary about early marriages. In the small bathroom of her apartment laundry soaked in a bucket. Her princesses behavior was over, although that probably will never completely happen. In 2011 I met her again, during a film festival in the city of Cluj, where she showed her film about the deportation of Romanian Roma during the Second World War. We had lunch together in a restaurant. She then asked the waitress to seat her hat, while she also could have grabbed a chair for the hat herself.

     I'm sad about the death of Florin Cioaba. Earlier this month already another distinguished leader of the Roma passed away, the sociologist Nicolae Gheorghe, who stood up for his people in a different way, but with the same persuasion. And yes, it's true that not all Roma recognize the 'King of the Roma', and yes, the vast majority of Roma lives below the poverty line and this man didn't. I have seen how people constantly came to the door of the Cioaba's to ask for money. I don't know if Florin gave them something. He listened to them, that's for sure.

          I hope his son, also in the picture, will make a good king.

 ___________________________________________________________________


18 februari 2013

Mijn eerste betaalde teksten schreef ik voor een blad over paarden. De hoofdredacteur juichte toe dat ik een beginneling was op dat gebied, 'jij kijkt tenminste met een frisse blik'. Hij stond open voor alle onderwerpen. Zo mocht ik over een boer schrijven die voor de farmaceutische industrie bloed bij zijn paarden aftapte. Slechts eenmaal werd er een artikel geweigerd, en dat was een interview dat ik had gemaakt met een paardenslager. 'Een prima tekst, maar voor onze lezers gaat hij te ver.'

         Ik was vegetariër in die tijd, en nog steeds eet ik niet vaker dan eenmaal per week vlees. Maar van hypocrisie moet ik niets hebben. Toen ik voor mijn roman 'De overstroming' het slachten van een rat moest beschrijven, heb ik zelf zo'n beest gevild, uitgebeend, gebakken en opgegeten.

         Paardenvlees vermijd ik liever. Sinti-zigeuners eten nooit paard, daarvoor hebben ze te veel aan paarden te danken. Mij vergaat het net zo. Ons paard Manoir is nu dertig jaar in ons leven en heeft ons veel goeds gebracht. Op het moment woont hij in het bejaardentehuis voor paarden in Soest, waar hij met zijn oude hoofd tevreden rondgraast.

        Of Roma-zigeuners ook geen paarden eten weet ik nog zo net niet, in Oost-Europa is niet zoveel ruimte voor principes. Dat is ook wel te zien aan de manier waarop in een land als Roemenië slachtpaarden worden vervoerd. Verschillende keren heb ik er rammelende veewagens gezien vol paardjes met magere halzen en van angst teruggedraaide ogen. Zielige, ziekelijke scharminkels in alle kleuren en maten, die als oude auto's zouden worden verschroot. Helaas heb ik daar geen foto's van gemaakt, en wel van de vijfendertigjarige Manoir, maar ongetwijfeld zullen er binnenkort beelden uit Roemenië ons land bereiken.

___________________________________________________________________


7 september 2012

Onze woonwagen hebben we vierentwintig jaar geleden gekocht op een kamp in de buurt van Utrecht. Voordat we erin gingen wonen, reisden we rond in een veel kleiner wagentje dat werd getrokken door een paard. Op een gegeven moment zijn we naar een etage in Amsterdam verhuisd, maar de woonwagen hebben we aangehouden. Nog steeds is het de plek waar ik me het meest ontspannen voel. Veel van mijn boeken heb ik er geschreven.

        Maar een 'zigeuner' ben ik niet, evenmin als Frans Bauer dat is. Gisteravond was er weer een aflevering van zijn nieuwe programmaserie op tv, 'Bauer's Zigeunernacht'. Die titel is ongelukkig gekozen, net als de titel 'Gypsy Girls' van een andere serie waarvan de eerste aflevering ná Bauer op een andere zender te zien was. Tot welk volk je behoort wordt niet bepaald door je woonvorm, ik dacht dat iedereen dat zo langzamerhand wel wist. Dat Bauer is opgegroeid op een kamp, zegt weinig meer dan dat zijn voorouders een beroep hadden waarvoor ze een reizend leven moesten leiden. Misschien hebben ze eerst met een hondenkar gelopen en daarna - een grote luxe! - een rijdend huis aangeschaft. Nadat de Nederlandse overheid de woonwagenbewoners in de tweede helft van de twintigste eeuw tot stilstand dwong, werd het moeilijker voor ze om aan de kost te komen. Wel konden hun wagens steeds groter en mooier worden, net als hun meubilair. In Nederland zijn er enige tienduizenden van deze voormalige reizigers.

        Een heel andere, kleinere groep Nederlanders heeft ook een achtergrond van reizen en trekken. De Nederlandse Sinti kwamen op dezelfde kampen als de reizigers terecht, ook zij mochten zich van de Nederlandse overheid niet meer verplaatsen. En zo ontstond de verwarring waarmee zowel Frans Bauer als de makers van Gypsy Girls nu koketteren. Op de woonwagenkampen is er altijd een zekere afstand tussen de Sinti en de reizigers geweest. De Sinti zijn een volk, ze spreken onderling een eigen taal en koesteren hun tradities. De tragiek van Bauer is dat hij met de titel van zijn programmaserie juist benadrukt hoezeer hij een buitenstaander is, want een echte Sintu had het denigrerende woord 'zigeuner' nooit geaccepteerd.

        Bauer gaat op zoek naar zijn wortels. Dat doet hij in Hongarije, waar Roma wonen, een heel ander 'zigeuner'volk dan de Sinti, met een heel andere eigen taal. Van de opzet van de televisieserie klopt dus eigenlijk weinig. Frans Bauer is helemaal niet op zoek naar zijn wortels, maar naar een gevoel, een sfeer. Hij verblijft bij een Romafamilie die in een paar eenvoudige woonwagens in de vrije natuur woont. Oost-Europese Roma wonen bijna altijd in huizen of hutten, zelden in wagens, en dan zeker niet met zo'n kleine groep, dus die opstelling is ongetwijfeld speciaal voor het programma gemaakt. Voor het fraaie beeld hebben de producenten van het programma ook nog een paar Nederlandse woonwagens laten aanvoeren - of zouden er in Hongarije ook wagens van het Tielse type zijn? Verder is de openluchtdouche, met een rietmat als douchegordijn, overduidelijk een gimmick. In iedere uitzending krijgen we een andere BN'er te zien die er een douchebeurt neemt. Roma en Sinti zouden dat nooit doen, het onderlichaam is bij hen taboe, naakt achter een rietmat gaan staan is uitgesloten. Douchen kost ook veel te veel water, voor douchen moet je waterleiding hebben. Verder maken doorsnee Hongaarse Roma niet snel voor de gezelligheid een open vuur, zoals in elke aflevering gebeurt. Hout is daarvoor veel te kostbaar. Zelfs om te mogen sprokkelen moet je een vergunning kopen.

       Dat Frans Bauer niet wordt gehinderd door enige kennis, pakt in zekere zin ook positief uit. Hij heeft het telkens ontzettend koud, waardoor je als kijker meekrijgt dat het Oost-Europese Romaleven misschien wat minder romantisch is dan je had verwacht. Bauer lijkt ook oprecht geschrokken te zijn van de wc in een houten hokje - de realiteit is dat van de twaalf miljoen Europese Roma er maar heel weinig riolering hebben. Hun levensverwachting ligt een stuk lager dan die van andere groepen. In een EU-land als Roemenië komt in Roma-wijken een ziekte als tuberculose nog relatief vaak voor. Het pleit voor de presentator dat hij niet naar een rijke familie is gereisd, de beelden van big fat gypsy weddings hebben al te veel verpest voor de doodgewone Roma en Sinti.

        En dan is er nu dus ook nog Gypsy Girls, en ook daarin worden de Nederlandse reizigers voor het gemak maar even 'zigeuners' genoemd. Ik ben benieuwd of de Sinti in opstand gaan komen. Of hebben ze zo langzamerhand al zoveel onzin over zichzelf gehoord, dat ze het er maar bij laten zitten?   

___________________________________________________________________


4 mei 2012

We liepen met David uit Roemenië langs een voormalige synagoge. Ik begon over de Tweede Wereldoorlog. David, dertig jaar, lyceumdiploma, Rom, keek glazig. Wij: 'Weet je wat er in de oorlog is gebeurd met de joden? Hij: 'Nee, wat dan?' Hij had geen idee, echt niet. We probeerden wat aanwijzingen te geven. 'Weet je wie Hitler is, heb je daarvan gehoord?' Dat had hij. Hitler heeft half Europa veroverd, wist hij. Een ontzettend vervelende man. 'En aan het eind is hij doodgegaan.' Wij vertelden dat er tijdens de oorlog zes miljoen joden zijn vermoord. 'En zeker ook Roma?' vroeg hij meteen. Ja, die ook. Een half miljoen. Het leek allemaal niet door te dringen, het was té groot. Ligt het aan hem of weet niemand het in Roemenië, wordt er daar op scholen niet over verteld?

      Gisteravond, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, moest ik telkens aan David denken. Ik zal hem e-mailen om te vertellen waar we zijn geweest, op de wereldpremière van het Requiem voor Auschwitz, een compositie van Roger 'Moreno' Rathgeb, een Nederlandse Sinto. De componist, de dirigent, het orkest: allemaal waren ze Roma en Sinti. Voor deze gelegenheid werkten een organist, vier solisten en een groot koor mee. Het Requiem voor Auschwitz is een muzikaal monument voor alle slachtoffers van de concentratiekampen, of ze nu Roma en Sinti zijn of niet. Het was een overweldigende avond.

___________________________________________________________________


24 maart 2012

In juni 2011 mocht ik mee naar een filmfestival in Cluj, Roemenië. Daar werd de film The Source van mijn man Jaap de Ruig vertoond, een impressie van één dag in een arm Roemeens gehucht waar alleen Roma wonen.

       We werden van het vliegveld gehaald door een luxe Mercedes, met naast de chauffeur een jongeman die ons wegwijs zou maken. Wist hij veel dat we in de loop van twee decennia al vaak in Cluj waren geweest, in het begin als logees bij een Roma-familie, later vooral op de grote vuilnisbelt van de stad, waar vele honderden Roma in ellendige omstandigheden leven. We hebben Roemeens geleerd en begeven ons gewoonlijk tussen mensen die worstelen met armoede en drankzucht. En nu bracht de Mercedes ons ineens naar een hotelkamer aan het centrale plein van Cluj, waar we restaurantbonnen, een filmpas en uitnodigingen voor excursies kregen. Mocht de jongeman ons ergens mee kunnen helpen, dan konden we hem dag en nacht bereiken.

         Pas na een paar uur waren we aan de nieuwe situatie gewend. Ik realiseerde me dat ik dit precies nodig had wat dit land betreft. Tijdens de dagen die volgden zag ik gretige, scherpzinnige jonge mensen die een jaar naar het filmfestival hadden uitgekeken en er hun geld met genoegen aan besteedden. Heel anders dan ik had verwacht, leverde The Source geen racistische uitingen op, maar oprechte bezorgdheid.

         In een veel grotere zaal, met misschien wel zevenhonderd stoelen, werd een film van Mona Nicoara vertoond. Het was de Roemeense première, alle stoelen waren bezet. Het publiek bestond opnieuw uit goedwillende, student-achtige Roemenen. Mona Nicoara's film, Our School, ging over de pogingen om een groepje Roemeense Roma-kinderen te laten assimileren op een 'gewone' school, een school voor iedereen, niet voor één bevolkingsgroep. Bijna de hele film lang leek dat te gaan lukken. Een aantal van de schoolkinderen zat in de zaal.

      Tegen het einde van Our School keek ik toch weer naar het oude Roemenië. Verdrietig wandelden we naar de hotelkamer terug. Die nacht droomde ik in mijn luxe bed een ander einde aan de film.

___________________________________________________________________


28 januari 2012

Nadat David drie weken bij ons had gelogeerd, moest hij naar Roemenië terug. Hoewel hij geld had verdiend met de tentoonstelling van zijn foto's, was hij kwaad toen hij naar het vliegveld werd gebracht, hij wilde blijven. Samen hadden we een plan voor hem gemaakt. Hij zou eindelijk een cursus gaan doen om ober te worden - ober worden is al lang zijn droom.

       Terug in zijn land schreef hij zich inderdaad voor zo'n curus in, en betaalde met het geld dat hij in Nederland had verdiend. Daarna gebeurden er verschillende vervelende dingen. Op straat kwam hij de woekeraar tegen van wie zijn broer en zus geld hadden geleend. De man zou David in elkaar slaan als hij geen voorschot van vierhonderd euro betaalde. Ziek van angst en stress verborg hij zich thuis, tot zijn moeder onverwacht terugkeerde uit Italië, samen met de jongste van haar kleinkinderen. Tien dagen achter elkaar was ze dronken.

      Wij hebben zo vaak in angst gezeten vanwege rampen die David zouden kunnen treffen, dat we ons niet ongerust meer maken. Kortgeleden heeft zijn zus eindelijk het voorschot betaald. En intussen zijn de praktijklessen van de obercursus begonnen. David stuurde een foto van zichzelf in oberpak, een oefendienblad balancerend op zijn hand.

          Ik begon net te smelten van trots, toen ik de sigaret in zijn hand zag.

___________________________________________________________________


16 juni 2011

Het woord Roma betekent 'mensen'. Het gemeentebestuur van Cluj, een stad in Transsylvaans Roemenië, is daar kennelijk niet van op de hoogte. Toen ik Cluj in 1991 voor het eerst bezocht, logeerde ik bij een Roma-gezin in een flat. Op een dag nam mijn gastvrouw me mee naar de Strada Coastei, die op loopstafstand tegen een heuvel lag. In eenvoudige huizen woonden daar een paar honderd Roma bij elkaar. Het was er verademend gezellig.

       Vorige week ben ik op dezelfde plek teruggeweest. De Roma-wijk aan de Strada Coastei bestaat nu uit een kale vlakte, want in december 2010 heeft het gemeentebestuur bulldozers op de bewoners afgestuurd en hun huizen laten platwalsen. Ik zag onkruid, resten van fundamenten, dekselloze rioleringsputten. Rondom waren kantoren in aanbouw, het logo van Nokia was al aangebracht.

      Terwijl ik rondsjouwde en me kwaad maakte, vroeg ik me af of de Roma soms een dode hadden moeten achterlaten? Een deel van de vlakte was bedekt met asfalt, er stak een kruis uit omhoog. Ik liep ernaartoe en las wat erop stond: Theologische Campus 'Nicolae Ivan'. Aan de voet van het kruis lag sinds 23 mei 2011 een gedenksteen waarop in het Roemeens werd uitgelegd dat het kruis op deze plek was geplaatst in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Eronder werden de hoogste orthodoxe geestelijken genoemd, daarna kwam er iets over Christus, God en Theologisch Onderwijs. Later hoorde ik dat de gemeente de grond gratis heeft aangeboden aan de orthodoxe kerk. Zoiets zegt veel in Transsylvanië, want op het centrale plein van Cluj staat een door Hongaren gebouwde kathedraal met een standbeeld ernaast van de toenmalige Hongaarse machthebber. De huidige burgemeester heeft een Roemeense achternaam, hij probeert de Roemeens-Orthodoxe kerk zoveel mogelijk invloed te laten verwerven.

      En waar waren de tweehonderdvijftig bewoners van de Strada Coastei? Op de vuilnisbelt natuurlijk, een heel eind buiten de stad. Ik ben er naartoe gegaan. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest woonden boven aan een helling een heel aantal gezinnen in door de gemeente geplaatste noodgebouwen. Een stukje naar beneden huisden de oudgedienden van de vuilnisbelt, die tijdens mijn bezoek in 1991 al net zulke scheve hutten hadden. De tientallen hutten van de Roma langs de spoorlijn daarentegen waren nieuw voor mij.

         Mensen.


___________________________________________________________________


20 januari 2011

De voor-wat-hoort-wat manier         

Doordat ik nieuwe blogposts altijd aankondig op Facebook, is vooral daar over het vorige stukje gediscussieerd. Ik vroeg om advies en heb het gekregen ook. In zoekende, voorzichtige bewoordingen hebben mijn vrienden en kennissen me verteld wat zij ervan dachten, of wij David nu wel of niet 'in de stront moesten laten zakken'. Dat ik het zo uitdrukte, gaf wel aan hoe hoog het me allemaal zat. De uitkomst van de adviezen was dat we het contact ondanks alles moesten aanhouden, maar dan wel op een strikte voor-wat-hoort-wat manier.

          David heeft het nog steeds niet gemakkelijk. Op zijn vlucht voor de geldschieter is hij inderdaad bij de 'broer van de man van zijn zus' beland. Daar is hij vervolgens 's nachts vakkundig van zijn bezittingen ontdaan. Met alleen zijn kleren en een klein deel van zijn handelswaar is hij op straat terechtgekomen. Hij heeft aangifte gedaan, maar de politie had geen interesse. Na het verkopen van enkele overgebleven trechters kon hij de trein terug naar huis nemen, om bij aankomst meteen weer te worden bedreigd door de geldschieter. 'Laten ze me maar het ziekenhuis in slaan,' mailde hij ons op zijn bekende dramatische toon. 'Daar ben ik tenminste veilig.'

         Vooralsnog zit hij thuis, maakt trechters en gaat ermee op pad, intussen voortdurend bang. Toch is er ook een positieve ontwikkeling, iets wat perspectief voor de toekomst biedt. Het heeft met de voor-wat-hoort-wat manier te maken. Hij is begonnen met de uitvoering van het plan waarover ik het de vorige keer al had, en het loopt uitstekend. Op dit moment kan ik er nog niet concreter over zijn, maar ik wil alvast wel zeggen dat wij er ook voordeel van hebben. Als alles zo blijft lopen als het nu loopt - en dat weet je in Roemenië nooit - zal David er er op den duur een inkomen en een zeker zelfbewustzijn mee kunnen verwerven. Voor onszelf geldt min of meer hetzelfde. Eind september 2011 worden de eerste resultaten openbaar gemaakt. Pas dan kan ik er meer over schrijven.   


___________________________________________________________________


22 november 2010

Graag advies                                              

Ik weet het allemaal niet meer. Vijf jaar bekommeren we ons nu om hem, vijf jaar heeft dat ellende opgeleverd. Normale mensen hadden hem allang in de stront laten zakken. Wordt het tijd om maar eens normaal te gaan doen? En wat gebeurt er dan, als wij zijn e-mails niet meer beantwoorden (veertien stuks in de afgelopen drie dagen), als wij hem geen geld meer sturen (twee weken geleden nog honderd euro)?

        Het zit zo. Hij is negentwintig, zigeuner en heeft geen cent. Hij woont in een Roemeens provinciestadje. Er zijn daar geldschieters actief, een hele clan. Twee jaar geleden heeft zijn broer een bedrag van zo'n geldschieter geleend en is ermee naar het buitenland vertrokken. Sindsdien is híj het die wordt bedreigd, want tja, wat jouw broer doet dat doe jij. En ook al doe jij het niet, er moet toch iemand zijn die terugbetaalt. Vorige week heeft de geldschieter hem daarom in elkaar getrimd. Met een wond op zijn hoofd en een dikke wang is hij thuisgekomen. Aangifte heeft hij niet gedaan, dat durft hij niet. De clan van de geldschieter onderhoudt relaties met de politie, de man aanbrengen is te riskant.  

           Hij is gevlucht. Nou ja, dan vlucht je maar, dachten wij na zijn eerste e-mail erover. Drie jaar lang hebben we hem maandelijks een bedrag gestuurd zodat hij zijn avondschool kon afmaken. Nog steeds buigen we ons wekelijks een paar uur over zijn berichten en proberen in moeizaam Roemeens een uitweg voor hem te vinden. Eerdere schulden zijn afbetaald, dokters zijn op onze kosten bezocht. Hij heeft in Nederland gelogeerd en in twee weken vijftienhonderd euro verdiend met een kunstproject. Er is een kans dat hij met een nieuw samenwerkingsproject twee jaar lang het Roemeense minimumloon kan verdienen, afgelopen weekend zijn we urenlang bezig geweest met het zoeken naar financiering. Ergens houdt het op, en dat ergens begint vandaag.

         Hij is nu naar een nicht in een grote stad gegaan. Maar de geldschieter heeft ook familie in die buurt, hij kan er niet blijven. Vannacht gaat hij daarom met de bus naar een andere plaats, waar hij om drie uur in de ochtend zal arriveren. Hij is van plan tot zes uur op het busstation te wachten en dan een kennis te bellen, de broer van de man van zijn zus. Als die hem eenmaal in huis heeft opgenomen, wil hij geld voor de dokter zien te verdienen, want sinds hij in elkaar is geslagen heeft hij steeds meer pijn in zijn rug. Erna, als hij dat allemaal heeft geregeld, zal hij een kamer gaan huren. En dan, ja dan, dan gaat hij...

        Het is een wanhoopsaktie en hij weet het zelf. De broer van de man van zijn zus is er misschien niet eens. Daar zit hij dan in de kou, in een stadje waar hij niemand kent. Naar huis gaan is uitgesloten, de geldschieter eist voor de kerst duizend euro.

         In de stront laten zakken? Wie is er wijzer dan ik, wie geeft advies?


___________________________________________________________________


 

2 juni 2010

Wisdom and Hell (slot)                         

Art Amsterdam is voorbij. Er zijn veel redenen om tevreden te zijn. Massa's mensen hebben Wisdom and Hell gezien. Ze hebben mooie dingen gezegd en de nodige trechters gekocht. De gelaagdheid van de installatie was voor iedereen wel duidelijk, denk ik.

      Toch is er één persoon met een probleem, en dat is David. Op de momenten dat we bij ons thuis waren, kwam hetzelfde zinnetje telkens terug: 'Ik wil hier blijven, ik wil bij jullie blijven.' Of, wanhopiger: 'Zeg maar dat ik dood ben als mijn familie naar me vraagt.'

     Vanochtend hebben we na twee weken afscheid van hem genomen. Hij is nu onderweg naar de Roemeense zigeunerwijk waar hij woont. Bij hem thuis delen acht mensen 'als visjes in blik' een paar bedden. Hij wil er weg, hij wil een schoner, beter en rustiger leven leiden. Gisteravond vroeg hij om een stuk papier. Met boze halen schreef hij er zijn doelen op. Een handtekening eronder, alsjeblieft, dit is mijn contract, dit beloof ik de komende tijd te gaan doen. 'En dan kom ik terug en blijf voor altijd.'

     Vlak voor zijn vertrek zei hij met een intens treurige uitdrukking op zijn gezicht dat hij straks weer in de dierentuin terecht zou komen. In het gekkenhuis. 'Ik ga pas in het donker de wijk in. Ze verwachten dat ik een diplomatenkoffertje bij me heb waar de bankbiljetten uit barsten.' Hij zette zijn mobiele telefoon weer aan. Er waren eenenveertig oproepen. 'Die hebben allemaal geld nodig.'

      'Hoe doe je dat nou met de trein?' vroeg ik. 'Is het niet duur om een kaartje te kopen?'

      'Ik koop nooit een kaartje, ik geef wat aan de conducteur, dat doet iedereen.'

      'En hoe kom je eigenlijk aan dat noodpaspoort? Je paspoort is tweemaal achter elkaar gestolen, kreeg je zomaar een nieuw?''

      'Ik heb die man een bedrag toegeschoven.'

      Welkom terug in Roemenië, David.


___________________________________________________________________


27 mei 2010

Wisdom and Hell (6)                               

Het is geweldig om ineens twee mannen in huis te hebben in plaats van maar eentje. We zijn nu een troep, een bende. Ik heb al een bos wilde bloemen gekregen en er wordt veel gelachen en op schouders gestompt. We kennen David sinds zijn negende. Toen liet hij zich door zijn oma in een teiltje zetten en maakte radslagen voor ons. Nu is hij achtentwintig en vraagt om scheermesjes. Drie jaar geleden heeft hij hier ook gelogeerd, dus de eerste verbazing over de Nederlandse maatschappij is er wel af, maar toch valt het hem telkens weer op hoeveel er hier wordt gelezen. Wij wonen op drie-hoog en kijken bij meerdere overburen naar binnen. Volgens David zitten die allemaal de hele tijd boeken of  kranten te bestuderen.

      Ook maakt hij rake opmerkingen over onze vrienden. Afgelopen zondag zijn we naar een feest bij mijn rijkste vriendin geweest. Een groot wit huis, een zwembad, sportwagens, hoeden en mooie jurken; een filmset was er niets bij. David, die thuis niet eens riolering heeft, die nooit onder de douche kan en alleen Roemeens spreekt, analyseerde haarscherp de diverse karakters. Wel was hij 's avonds zeer somber. Hij vond het een moeilijke dag. 'Als ik op mijn negende met jullie mee naar Nederland was gegaan, zoals ik toen al wilde, dan had ik nu ook tussen de jongeren op dat feest gelopen, dan was ik misschien zelfs wel naar de universiteit geweest.'

       Art Amsterdam is begonnen. Van zenuwen heeft David geen last. Hij is zeker van zijn zaak, tenslotte maakt hij trechters sinds zijn vijftiende. Het is nog geen moment in hem opgekomen dat hij een honorarium voor zijn inzet zou kunnen krijgen, hij vraagt er gewoonweg niet naar. Dat hij tot 's avonds laat zit te werken is ook geen punt, hij doet het graag.       


___________________________________________________________________


20 mei 2010

Wisdom and Hell (5)                                  

'En je bagage?' vroegen wij toen David arriveerde. Hij droeg een mini-rugzak en een koffertje, daarin zouden zijn kleren wel zitten. Maar waar was de grote tas vol blikslagersmaterialen? Het had een hoop moeite gekost om uit te zoeken hoe die het beste naar Nederland kon worden vervoerd. Vliegen met de KLM leek de beste oplossing, dan mocht er gratis drieëntwintig kilo mee. Maar waar was de zware tas nu?

       Die was nergens. Bij ons thuis maakte David het koffertje open. Er zat een aantal voorgevormde trechters in, plus wat losse stukjes blik. Dat was alles wat hij had meegenomen. Honderdvijftig euro had hij gevraagd om materialen in te kopen, dit was het resultaat. Dat spul is kennelijk heel duur, dacht ik eerst nog. Maar toen de bonnen op tafel kwamen, bleek hij voor maar vijfendertig euro bij zich te hebben. Van de rest van het geld had hij materialen voor zijn familie gekocht, zodat zij in Roemenië trechters konden maken en verkopen. Diezelfde avond waren zijn vader, moeder en oom al dronken geweest.

        Een individu bestaat niet in de Roma-gemeenschap waarin David is geboren. Alles wat je binnenhaalt, deel je met de groep waar je toe hoort. Dat heeft ook mooie kanten. Toen David van huis vertrok, zaten zijn blikslagersmaterialen inderdaad in een stoffen tas. Op het station van zijn woonplaats kwam hij een bekende uit de zigeunerwijk tegen. Die had een koffertje bij zich. 'Zeg, geef mij jouw koffer eens?' zei David. 'Ik moet naar Nederland, die koffer van jou is beter.' De eigenaar van de koffer had geen bezwaar en pakte meteen zijn bagage in de stoffen tas over. David vond dat heel logisch. 'Hij woont toch bij mij in de wijk?'

         Zelden heb ik een gast gehad die zich zo makkelijk aanpast. Toch dringt soms het volgende beeld zich aan me op: David heeft ons geld binnengekregen. Met een stapel bankbiljetten komt hij thuis. Zijn vader, moeder en oom juichen. Bij een winkeltje vlakbij halen ze drank. Proost! Op Jaap en Mariët in Amsterdam!


___________________________________________________________________


20 mei 2010

Wisdom and Hell (4)                                    

David komt vandaag. Als hij komt. Aan hem zal het niet liggen, eerder aan de KLM. De afgelopen weken bleek het onmogelijk om in Nederland het juiste blikslagersmateriaal te vinden. Niemand verkoopt hier verzinkte platen met een dikte van 0,35 millimeter om trechters van te maken. Toch zal David aan het werk moeten op Art Amsterdam, daarom zat er niets anders op dan hem zelf zijn materialen te laten meenemen. Zijn hele familie heeft meegeholpen, op zijn jaloerse broer na, die op veilige afstand in Italië zit. Een paar dagen geleden was David al helemaal klaar. Zijn gereedschappen en voorgeknipte stukken blik zitten in een grote tas van stof. Ook heeft hij samen met zijn vader vijfendertig trechters voorbereid die alleen nog maar gesoldeerd moeten worden. Mocht het blikslaan op Art Amsterdam toch niet lukken, dan heeft hij in ieder geval iets om te laten zien. De grote vraag is nu: komt hij met zijn vreemde lading het vliegtuig in? Voor de zekerheid heeft hij een Engelstalige brief meegekregen waarin het doel van zijn reis wordt uitgelegd.   

        Intussen zitten de problemen hier in Amsterdam. Het leek allemaal zo makkelijk. 'Ik haal gewoon een Roemeense zigeuner naar Nederland en die laat ik trechters maken op de chique kunstbeurs.' Maar hoe kom je aan een speciaal aambeeld, een lange ijzeren staaf met een punt van dertig centimeter? Waarom lukt het uitgerekend nu niet meer om een HD-videomontage goed op dvd te zetten? Waarom is de zwarte stof plotseling uitverkocht? 'Alles mag, alles kan' is het motto van No Holds Barred, het onderdeel van Art Amsterdam waaronder dit project valt. Maar de wanden van de ruimte waarin het zich gaat afspelen mogen niet eens geverfd worden, zodat er niets anders opzit dan ze van boven tot onderen bekleden. Ze wit laten is geen optie, dan komt de videoprojectie niet goed uit.

       Gelukkig is er een smid in de familie. Bij Van Lochem in Aalten wordt vandaag nog een aambeeld gemaakt. Een concurrerende textielzaak bleek wel tweeëntwintig meter zwarte stof in voorraad te hebben. En de video moet opnieuw gemonteerd worden, er zit niets anders op.

       Wordt vervolgd.    


___________________________________________________________________


14 mei 2010

Wisdom and Hell (3)                                         

'Kun je ook wat met deze trechterdrager?' vroeg een vriendin. 'Hij gaat te schaats, heeft een mysterieus geschrift bij zich, draagt een soort vrijmetselaarsteken, heeft een gekruiste snavel, rare oren en oja... een bochel. Hopelijk komt David in betere toestand – en op tijd – bij jullie in Amsterdam aan.'

         Ik herkende haar trechterdrager van een schilderij van Jeroen Bosch. Kennelijk heeft iemand er lol in gehad om er een driedimensionale variant van te maken. Mijn vriendin, die beeldhouwer is, heeft hem ergens gevonden en toen aangeschaft 'samen met nog twee types, een ei-wezen en de-duivel-op-de-kakstoel'.

      Wat de toestand van David betreft, die is op het moment beter dan die van het vreemde trechterwezen, maar toch niet heel goed. Na zijn noodkreet uit Italië hadden wij hem honderdvijfentwintig euro gestuurd. Negentig euro voor de bus naar Roemenië, vijfendertig om de tijd tot zijn vertrek door te komen. Het bedrag was geen gift maar een lening, hij stelde zelf voor om het later terug te betalen.

        Helaas kreeg zijn broer lucht van de lening. Met een paar vrienden sloeg hij David in elkaar. Ze waren dronken. Vijfentwintig euro was hun oogst, David had toevallig net zijn ticket gereserveerd. Hij hoopt dat zijn blauwe oog voor Art Amsterdam genezen zal zijn.


___________________________________________________________________


7 mei 2010

Wisdom & Hell (2)                                                    

'Als het regent doe ik zo,' zei hij en zette een buitenmodel trechter op zijn hoofd. Beelden en tijden vloeiden door elkaar. Jeroen Bosch hield ervan zijn personages een trechter op te zetten – die van David zijn meer dan vijfhonderd jaar later van hetzelfde materiaal. Het maken van één trechter kost hem uren, waarbij hij dezelfde handelingen verricht als zijn collega's van toen. De absurditeit in zijn land, Roemenië, staat ook niet ver van Jeroen Bosch' wereld af. Zijn handelswaar, met de platte zijkant en het speciale zeefje, wordt gebruikt om benzine over te hevelen, god weet waaruit en waarom. Er zou ook wijsheid doorheen gegoten kunnen worden, maar sommigen zijn daar nu eenmaal te dom voor, die zetten ze fout op hun kop en tonen zo hun ware aard. Meester snyt die keye ras / Mijne name Is lubbert das staat rond het schilderij van de zogenaamde heelmeester die in andersmans kop poert om er een steen uit weg te snijden en in plaats daarvan bloemen tevoorschijn haalt.

        'Als het regent doe ik zo.' David keek gekwetst, hij wist welke aanblik hij bood. Bij regen verkoopt hij weinig, in plaats daarvan worden er foto's van hem genomen. In veertienhonderdzoveel zou er een takje uit zijn hoofddeksel groeien, of de punthoed zou hoofd en lijf tegelijk zijn. Het werk van Jeroen Bosch zal hem wel interesseren, vermoed ik. Toen hij een keer bij ons thuis logeerde, vond hij het Rijksmuseum het hoogtepunt van zijn bezoek.

        Het ziet er overigens naar uit dat David tijdens Art Amsterdam toch aanwezig zal zijn. Hij stuurde een noodkreet uit Italië, hij had geld noch eten meer. Per bus is hij nu op weg naar zijn land om materialen in te kopen.  


____________________________________________________________


27 april 2010

Wisdom and Hell (1)                                                  

Koningin Beatrix komt naar hem kijken. Vierentwintigduizend andere kunstliefhebbers komen naar hem kijken. En toch is David, de hoofdpersoon van een project dat eind mei op Art Amsterdam in première gaat, spoorloos verdwenen. Hij zit in Italië, dat weten we wel. Hij logeert daar in het tweekamerappartement van zijn zus, waar ook aantal andere familieleden verblijven. Onder hen is zijn broer, die meteen na David's aankomst zijn telefoon heeft gejat. Bellen of sms'en kunnen we hem daarom niet meer. Onze e-mails worden evenmin beantwoord.

        Wisdom and Hell heet het kunstproject. Het is geselecteerd voor No Holds Barred, een nieuw programmaonderdeel van Art Amsterdam. Op de kunstbeurs, die van 26 tot en met 30 mei wordt gehouden, mogen zestien kunstenaars ieder een ruimte vullen met een vernieuwend project. In de catalogus van de beurs wordt Wisdom and Hell als volgt beschreven:

        Bij Jeroen Bosch staat de trechter symbool voor zowel wijsheid als bedrog. Dante schetst de hel als een enorme trechter met negen cirkelgangen. De ruimte van Jaap de Ruig is ingericht als werkplaats. In een cirkel van licht maakt David, een jonge Roemeense zigeuner, trechters van blik. Een videoprojectie op de achterwand laat zien hoe hij thuis werkt. Beelden van zijn oma die een kip slacht, ganzen en honden die rondscharrelen. David overleeft door met zijn trechters langs de snelweg te venten. Sinds de toetreding van Roemenië tot de 'moderne' EU is dit verboden. Keer op keer wordt hij beboet.

         Het zou niet fijn zijn als Art Amsterdam straks opent en David nog steeds niet is opgedoken. Wie zit er dan in de 'cirkel van licht'? In het somberste scenario is hij opgepakt, de Italiaanse politie heeft weinig clementie met Roemeense Roma. Aan de andere kant: in zijn laatste mail stond dat hij geen werk in Italië kon vinden en nog maar dertig euro bezat, misschien bespaart hij tijdelijk op het internetcafé.

        Nog vier weken. We wachten af.


____________________________________________________________

  

15 maart 2010

Slecht goeddoen                                          

Op 29 april 2000 publiceerde ik in de Volkskrant een colum over goedbedoelende Nederlanders die ladingen kleren en eten naar Roemenië brachten, met name naar arme Roma. Het is nu tien jaar later en de hulptransporten rijden nog steeds. Daarom hieronder nog maar weer eens precies dezelfde tekst:


De afgelopen jaren ben ik tientallen keren benaderd door Nederlandse stichtingen, die aan de slag wilden in het gebied dat ik maar ruwweg Oost-Europa zal noemen. Ongeveer de helft had een religieus doel. De andere helft handelde uit een mengeling van ongerustheid, schaamte over de eigen overvloed, en behoefte aan een overzichtelijk en tegelijkertijd nuttig avontuur. Omdat ik een boek over de Roma-zigeuners in Roemenië heb geschreven, dachten ze dat ik wel zou willen meedenken over het opzetten van nieuwe acties.

       Ik heb gemerkt dat bijna iedere organisatie tot het inzicht is gekomen dat er op dit moment een meer structurele aanpak nodig is dan het brengen van hulpgoederen. Maar hoe daarmee te beginnen? Men blijft maar redderen met het inzamelen van pakken koffie, suiker en rijst, men blijft maar kleding wassen en sorteren. In grote vrachtwagens worden de spullen naar Oost-Europa afgevoerd. De kosten van zo’n transport bedragen ongeveer vijfduizend gulden.

      Misschien ben ik door mijn ervaringen in Roemenië een rechtse bal geworden; ik heb zelfs al eens een nachtmerrie gehad waarin ik werd gekozen tot partijleider van de VVD. Of is het doodgewoon mijn gezond verstand dat zegt dat die hulptransporten - behalve natuurlijk in acute gevallen - een slechte manier van goeddoen zijn? In de landen waar het om gaat is voldoende voedsel te koop, alleen niet in de geweldige variëteit die wij hier normaal zijn gaan vinden. Wanneer je per se eten wilt uitdelen, hoef je maar één Nederlander met vijfduizend gulden op pad te sturen en hij kan daarginds een halve markt leegkopen. Er verdienen dan tenminste Oost-Europeanen aan, en de ontvangers krijgen het voedsel dat ze graag lusten. Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe mensen die waren verblijd met blikken conserven uit het Westen, er onmiddellijk mee aan het handelen sloegen. Het verdiende geld zetten ze om in broden, kip en worst.  

        Voor kleding geldt hetzelfde. Het moet maar eens uit zijn met dat dumpen van onze gedragen kleren in Oost-Europa! Je kunt geen arme Roemeen tegenkomen, of hij loopt in een trui met een LaCoste, Mexx of Nike-logo. Heeft hij voor die trui nederig ‘dank je wel’ moeten zeggen? Willen wij hem ermee aan zijn verstand brengen dat zelfs een tweedehands Nederlandse trui beter is dan een eerstehands Roemeense? Als je mensen wilt kleden, stimuleer dan de kledingindustrie in het land zelf. Of zet desnoods een winkel met onze afdankertjes op. Al vraag je maar één cent per broek, je maakt dan van serviele zielepietjes kiezende consumenten.

     Met de zendingsdrang van sommige particuliere stichtingen heb ik minder moeite. Vooral de Roma in Oost-Europa hebben eeuwenlang schandalig weinig aandacht gehad. Voor hen betekent zigeuner-zijn vaak niets anders dan in krotten wonen en armoe lijden. Muziek met elkaar maken, onderlinge solidariteit; laat me niet lachen. Deze mensen hebben geen enkel houvast in hun leven, en daarom is wat mij betreft iedere nieuwe moraal welkom. Dat gemeenschappen die zich bekeren tot een evangelische beweging vaak ruzie krijgen met niet-bekeerde, omdat zij hulpgoederen ontvangen en de niet-bekeerde nooit, is weer een heel ander verhaal.

       Dankzij Nederlandse vrijwilligers worden in Oost-Europa kindertehuizen opgeknapt en medische posten gebouwd. Ik ken een Evangelische Nederlander die van plan is in Roemenië sociale werkplaatsen op te zetten. Maar het blijven ‘projecten’ (alleen het woord al), het blijft een kwestie van geven en ontvangen.

       De natuur van mensen over de hele wereld is: eerst ik, dan wij, dan jij. Je wilt eerst je eigen bestaan zeker stellen, daarna dat van je familie, en pas dan kun je compassie voor anderen voelen. Daarom is compassie op de Balkan nog steeds zo’n slecht ontwikkelde eigenschap. Er is mij meer dan eens gevraagd wat die westerlingen toch zelf voor belang bij al die hulpacties hadden? Iemand die arm is, heeft maar een ding in zijn hoofd: hij wil werken, iets produceren of verkopen. Niemand kiest ervoor te gaan zitten wachten op de giften van vreemden. Naast het steunen van democratische processen, is daarom vooral volwaardige handel met Oost-Europa nodig.   


___________________________________________________________________


5 februari 2010

A.'s wraak                                                        

Goed nieuws uit Roemenië! Vijftien jaar geleden vond ik A. behoorlijk irritant. Een tut van een jonge vrouw met een net iets te pittig karakter. Wat ze met haar leven wilde weet ik niet meer, wel wat wij wilden: zo ver mogelijk bij haar uit de buurt blijven.

        A. was van zigeunerafkomst en groeide op in een arme wijk. Toen we haar in 2005 opnieuw ontmoetten, werkte ze in diezelfde wijk als juf voor Roma-kleuters. Ze was milder geworden, rustiger. Haar zwangerschap leek haar ook goed te doen, hoewel ze geen man of vriend had.

       En toen, een paar maanden later, kwam er een e-mail van A., verstuurd vanuit een internetcafé. Haar school had een nieuwe directeur gekregen, haar onderwijsdistrict een nieuwe inspecteur. Die twee wilden haar contract niet verlengen – ze had geen diploma. Nu zat ze werkloos thuis, met haar baby en haar moeder in een flatje. Maar ze had een plan: ze wilde alsnog haar bevoegdheid bemachtigen. Het lesgeld kon ze niet betalen, zou onze stichting misschien...

       Het werd geregeld. A.'s moeder, een vrouw in lange rok en met een hoofddoek op, droeg ook bij. Van het geld dat zij verdiende door groente op de markt te verkopen, schafte ze een computer met internetverbinding voor haar dochter aan. Die schreef zich in voor Studie-op-Afstand en haalde alle vakken met gemak. Ze kon nu terugkomen op haar oude school als docente Romanes, zigeunertaal.

      Een jaar later kregen wij weer bericht. Het lesgeven ging prima, maar A. wilde ernaast graag verder studeren om een hogere graad te halen. Zou onze stichting misschien...

      Intussen is ze halverwege deze studie. Ze is vierendertig, haar dochter vier. Alles gaat nog steeds goed, zelfs zo goed dat ze laatst opnieuw een plan stuurde. Opgetogen ontvouwde ze het, hierna wil ze haar Master Onderwijsmanagement gaan halen. Directeur... inspecteur... dat wordt ze dan.

        Drs. Pittig Karakter.


___________________________________________________________________


17 december 2010

Rustieke Roma                             

Het was 1992 en Bořek Šípek wilde zijn ontwerpen aan de man brengen. Hij vroeg Erwin Olaf reclamefoto's van zijn vazen, zetels en kaarsenstanders te maken. Olaf kwam op het idee om alles naar Slowakije te transporteren. Daar zocht hij contact met arme Roma en fotografeerde ze samen met de spullen. De ene Rom hield een kandelaar vast, een ander zette een vaas voor het raam van haar hutje of nam plaats op een stoel als een troon. Het glanzende, puntgave design contrasteerde met de tandeloze koppen van de Roma en hun uitgezakte, in vodden gestoken lijven.

      Iedereen in Nederland vond de foto's prachtig. Behalve ik. Ik had net een paar maanden in hutjes als op de foto's gelogeerd en met de bewoners hun karige maal gedeeld. Stel dat het andersom zou zijn, dacht ik maar steeds. Stel dat Erwin Olaf in belabberde omstandigheden moest leven en er kwam een Japanse of Amerikaanse ontwerper naar hem toe die hem met een ultramoderne computer op de foto zette, zodat de computer mooi contrasteerde. Olaf, die geen idee had hoeveel de computer waard was ten opzichte van zijn eigen bezit, kreeg wat geld toegeschoven om een biertje te kopen. De Japanner of Amerikaan ging terug naar zijn land en scoorde er met de foto's.

         Ik besloot mijn verontwaardiging met humor te combineren en veranderde mezelf in een deplorabel oud wijf. Zo liet ik me op de foto zetten, samen met mijn laptop van toen. De foto's hadden hetzelfde formaat als die van Olaf en ook, vond ik, dezelfde sfeer. Ik schreef er een artikel bij en stuurde het geheel naar de Volkskrant. Het antwoord luidde dat men mijn standpunt begreep, maar dat de toon van de tekst niet journalistiek genoeg was, te persoonlijk.  

         Kennelijk ben ik daar van geschrokken, want ik heb nooit meer iets met het artikel gedaan. Intussen is het 2009 en zijn de ontwerpen van Bořek Šípek uit de mode. De Roma en hun huisjes daarentegen zien er in heel Oost-Europa nog steeds hetzelfde uit. Het blijft een raadsel wat Erwin Olaf heeft bezield. Het enige wat ik kan bedenken, is dat het te maken had met een onuitroeibaar misverstand: het misverstand dat deze mensen ervoor kiezen om te leven zoals ze leven.

        Arme Roma in Oost-Europa zijn echt niet voor de lol rustiek..  


___________________________________________________________________


Sevillana

1 augustus 2009

Over Roma schrijven                                               

Over Roma schrijven betekent op eieren lopen. De een vindt je al gauw te romantisch, de ander te negatief. Ik herinner me twee recensies van De stilte voor het vuur, mijn eerste boek over de Roma in Roemenië. Op één en dezelfde dag vond recensent nummer 1 me 'te hardvochtig', terwijl nummer 2 me juist weer 'te vriendelijk' vond. Ik begreep toen dat iedere lezer in zekere zin zijn eigen boek maakt. Beide recensenten kleurden mijn woorden met opinies die ze toch al hadden.

       Sindsdien heb ik besloten om als ik over Roma schrijf, gewoonweg te noteren wat ik tegenkom, maar vanuit een welwillende grondhouding. 'Liefdevolle eerlijkheid' zou je die houding kunnen noemen. Een ander uitgangspunt dat ik hanteer is soberheid in taalgebruik. Hoe exotischer een onderwerp, hoe terughoudender je als auteur moet zijn. Termen als 'ruisende rokken', 'knapperende kampvuren' en 'hartstochtelijke vioolmuziek' kunnen niet, dat lijkt me duidelijk. En dan heb ik het alleen nog maar over non-fictie, niet eens over romans. Een roman schrijven met Roma als hoofdpersonen gaat vrijwel altijd fout. Een literair auteur doet zijn best om een onderwerp in nieuwe, zo eigen mogelijke taal te beschrijven. Maar als dat onderwerp met Roma te maken heeft, raakt hij vrijwel altijd verstrikt in óf de knapperende kampvuren (hij weet dat sommige lezers daar op hopen), óf de negatieve vooroordelen (waarop weer andere lezers hopen).

    Ik begin er niet meer aan. Het wachten is op iemand uit de Roma- of Sinti gemeenschap die het durft en het kan, die op zo'n manier een roman schrijft dat wij er allemaal van opkijken.    


___________________________________________________________________


18 juli 2009

Op Kreta                                                               

Hij zit op Kreta. Zonder geld natuurlijk. Hij dacht dat hij er wel werk zou kunnen vinden. Familie verleent hem onderdak, verder is het 'moeilijk' (uit een e-mail van vijf weken geleden), 'moeilijk' (uit een e-mail van vier weken geleden), 'moeilijk' (uit een e-mail van drie weken geleden), etc.

      Als namaakouders betrappen we onszelf erop dat we onverschillig worden. Drie jaar hebben we zijn school betaald en op afstand zijn problemen opgelost, nu moet hij maar eens een man worden. Zodra zijn nummer op het display van onze telefoon verschijnt, pakken we vaak niet eens meer op. Hij zal het immers wel weer 'moeilijk' hebben. En dat betekent dat hij geld nodig heeft.

       Pas werd hij achtentwintig. Het leek ons een mooie kans hem toch weer een beetje te helpen. Via Western Union stuurden we een bedrag waarmee ik zelf heel blij zou zijn. Hij was ook blij en liet weten dat hij er een woordenboek Roemeens – Grieks mee had gekocht. In plaats van de kratten bier waarmee ik hem in gedachten al had zien sjouwen, bleek hij zijn familie op twee flessen fris getrakteerd te hebben.

     Een woordenboek Roemeens – Grieks en twee flessen fris. Ik was vertederd, ik was trots.  

      Een week later kwam er een sms. Hij had nog zeventig euro van zijn verjaardagsgeld over en wilde terug naar huis, ook al zou hij daar onmiddellijk ene Gigi achter zich aan krijgen, een grote, machtige zigeuner die nog geld van hem kreeg. De reis naar huis kostte honderdvijftig euro, konden wij misschien...

    Intussen heeft hij zijn excuses aangeboden. Daardoor zijn weer enige positieve gevoelens in mij opgewekt. Over zijn toekomst ben ik niet hoopvol.    


___________________________________________________________________


14 maart 2009

Het cadeau                                                     

We zijn eruit. Waarom heeft David, onze 'sponsorzoon', zich garant gesteld toen zijn vader en broer een groot bedrag van een buurman leenden? Waarom moet hij nu sloven en worstelen om het terug te betalen, terwijl zijn vader en broer zich schuilhouden? In de vorige aflevering van mijn blog dacht ik dat het met familie-solidariteit te maken had. Als Roemeense Rom ben je onderdeel van een collectief, schreef ik, daar valt niet aan te ontsnappen.

      We hebben David nu aan de telefoon gehad, hij belde zelf. Het geleende geld blijkt bedoeld te zijn geweest voor zijn zus. Die was hoogzwanger en moest een cezariană  ondergaan. David, die zevenentwintig is, klonk besmuikt toen hij het Jaap vertelde. 'Wat een cezariană is weet ik niet,' zei hij. 'Je moet het maar aan Mariët vragen, misschien weet zij het.'

      Een boze buurman op je dak omdat je in je oneindige goedheid de keizersnee van je getrouwde zus wilt financieren. Dag na dag met trechters leuren, je spijkerbroeken en je mobieltje verkopen; allemaal voor die keizersnee. Met zijn karakter zou David in een andere omgeving veel beter tot zijn recht komen.

      Pas mailde ik hem dat Jaap en ik naar de Verenigde Staten gaan, om onderzoek te doen voor een nieuw non-fictie boek. We verblijven dan in een stadje waar ook een oom van me woont, schreef ik. Over het enorme huis van de oom zweeg ik, evenals over zijn ruime financiële mogelijkheden.

       De reactie van David op ons vertrek geef ik hier letterlijk weer: Het spijt me dat ik op het moment geen geld heb, anders had ik jullie een cadeau gestuurd dat jullie aan je Amerikaanse oom konden geven. Ik hoop dat jullie het begrijpen.


___________________________________________________________________


De eerste zonde

7 februari 2009

Tulp II                                                                       

Hij heeft problemen. Hij heeft áltijd problemen. Die gaan over geld. Of over ziektes, er heersen middeleeuwse kwalen in zijn omgeving. Jeukbulten op het hele lijf, tanden en kiezen die de mond uit rotten, tuberculose. Maar volgens zijn laatste e-mail is het ditmaal erger dan ooit, ditmaal is hij namelijk belazerd door zijn eigen vader en broer. Het gaat over geld, dat weer wel. Zijn vader en zijn broer hebben vijfentwintighonderd lei van een buurman geleend en zijn toen met de noorderzon vertrokken. Hem, de jongste, goedhartige zoon, hadden ze wijsgemaakt dat het om zevenhonderd lei ging. Of hij het bedrag maar even wil terugbetalen.

      Zevenhonderd lei is veel als je het moet binnenslepen met de verkoop van blikken trechters, maar vijfentwintighonderd is niet te doen. Waarom hij zijn buurman niet verwijst naar de verantwoordelijken kan hij ons per e-mail niet duidelijk maken. Je vader en je broer, dat ben je bijna zelf, zoiets moet het zijn. Als Roemeense Rom ben je onderdeel van een collectief, daar valt niet aan te ontsnappen. Andersom lijkt het overigens niet te gelden, want we hebben nog nooit mogen vernemen dat pa en broer zíjn schulden afbetaalden.

      Intussen zit hij met die buurman. Die woedend is, hem bedreigt. Uit angst heeft hij twee spijkerbroeken verkocht. Hij heeft zijn mobieltje verkocht. Een gouden ring. Maar de buurman blijft komen. 'Ze hebben me kapot gemaakt,' schrijft hij ons in zijn bericht. 'Ik ben op, het is afgelopen met mij. Nog even en ze nemen me ook mijn leven af. Ik beloof jullie, als ik die schuld heb afgelost dan ga ik mezelf – in paniek lees ik het volgende Roemeense woord – dan ga ik mezelf mor. Ik grijp het woordenboek, kan het niet vinden. Mor?

     Hij is tot alles in staat. We moeten er opaf. Ik zoek uit hoeveel een ticket naar Boekarest kost, check mijn agenda. Welke koffer moet mee, welke kleren, gaan we samen of gaat een van ons?

       Aan de keukentafel bespreek ik mijn plan. De reactie is veel nuchterder dan ik had verwacht. 'Tulp herrijst uit haar as.'  

      Tulp herrijst uit haar as? Tulp, de hoofdpersoon van mijn eigen roman De eerste zonde, is een twaalfjarig meisje dat stiekem brieven van gedetineerden leest. Als ze uit zo'n brief begrijpt dat één gedetineerde zelfmoord wil gaan plegen, komt ze meteen in actie. Uiteindelijk ondervindt haar hele omgeving daar nadeel van, inclusief zijzelf en de te redden persoon.

     Ik grijp weer naar het woordenboek en fileer de zinsnede na dat rare mor. Zijn taalgebruik is niet vlekkeloos, hij zou er ook 'verhuizen' mee kunnen bedoelen. Hé, ja, erna zegt hij iets over het huren van een kamer.

        Tulp II komt niet in actie.  


___________________________________________________________________


3 januari 2009

Foto                                                              

De Albert Cuyp-markt, kwart voor vijf 's middags. Zie ik ineens een jonge vrouw over de grond schuifelen die zich met haar armen vooruit klauwt. Haar benen slepen achterstevoren mee, alsof het onderlijf van een vreemde in haar romp is geschoven.

    Roemenië, denk ik meteen. Vroeger had je daar schurken, vaak Roma, die hun baby'tje verminkten om geld te kunnen vangen. Beentjes breken en klaar, bedelen maar. Deze vrouw loopt tegen de twintig, zo lang moet ze dus al door haar familie worden misbruikt.

     Ik heb een fototoestel in mijn tas, maar kom niet op het idee het te pakken. Verdoofd loop ik door. Pas bij mijn fiets denk ik aan fotograferen en ga terug naar de markt. Waar zijn de mensen, voor zover je ze zo nog kunt noemen, die bij de verminkte vrouw horen? Meestal houden een of twee zich op afstand schuil. Is de politie al gewaarschuwd?

       Terwijl ik speurend tussen de kramen door loop, hoor ik twee winkelende vrouwen tegen elkaar zeggen: 'Volgens mij was dat nep.'

       'Nou, dat kan haast niet, ik denk niet dat het nep was.'

       Nee, het was geen nep. Ik ben razend, zoiets zie je zelfs in Roemenië niet meer. Het zal vast lucratief zijn, de vrouw had een bakje met muntstukken bij zich. Wat vindt ze ervan dat haar familie haar zoiets heeft aangedaan en nog steeds aandoet? Of zijn die pooiers helemaal geen familie van haar, horen ze bij de beruchte kinderdieven die er tijdens Ceauşescu's dictatuur hier en daar waren? Wat een ramp voor andere Roma, waarvan de meerderheid van goede wil is. Enkele sujetten zorgen ervoor dat zij onder vooroordelen moeten lijden. Waarom gooit Amsterdam die lui niet onmiddellijk in de cel? Waarom zijn Nederlanders zo naief om geld aan die ellendelingen te geven?

        Spoorloos is ze en spoorloos blijft ze.

        Geen foto.   


___________________________________________________________________


Mariet Meester - blog 20-12-2008

20 december 2008

De rode gitaar                                       

We ontmoetten hem in Roemenië, maar hij woonde in Parijs, zei hij. In mijn verbeelding zag ik hem daar in een fabriek werken. Zijn gezicht was zwart, hij sjouwde met ijzeren balken en aan het eind van de dag was hij erg moe.

     Toen we een jaar later in Parijs waren belden we hem op. 'Kom langs, eet mee,' zei hij gul. 'Ik woon in Saint-Denis en haal jullie wel van de trein. Kijk maar uit naar een guitare rouge.'

     Het station van Saint-Denis, de beruchte voorstad, bleek nieuw en schoon te zijn. Ervoor was een groot plein. We keken rond of we een cafetaria zagen dat 'De Rode Gitaar' heette. Of zou hij kitara hebben gezegd, was dat soms een autotype en had hij een rode? Een Toyota Kitara misschien, bestond zoiets?

     We gingen op een bankje zitten. Op het plein waren Pakistaans ogende jongemannen aan het cricketen, de halve wereld lijkt zich de afgelopen jaren in Parijs genesteld te hebben. In de verte kwam nog wel een echte Fransman aanlopen, zo een met een snor en een artistiek klein baardje, alleen de baret ontbrak. Op zijn rug had hij een – logisch – rode gitaar.

     Enthousiast sprongen we op. Wat was hij veranderd! Terwijl we met hem mee liepen vertelde hij in zwierig Frans dat hij sinds acht maanden in Saint Denis woonde. Kijk, hier was het, een nieuw appartementengebouw. Zijn gezin woonde er in twee studio's.

     Binnen, in de studio die als huiskamer fungeerde, zag ik geen enkel voorwerp dat aan een eerder leven in Roemenië herinnerde. We wisselden nieuwtjes uit in een mix van Frans, Roemeens en soms wat Engels, want ook in die taal bleek hij zich intussen te kunnen redden. Zijn vrouw was thuis en had net als hij Frans geleerd. Ze droeg geen hoofddoek meer, maar nog wel een lange strokenrok. Nadat ze koffie had gemaakt kwamen hand in hand twee  mooie meisjes van een jaar of vijftien de studio binnen. Ik stond op en wilde me voorstellen aan het dichtstbijzijnde meisje, maar ze reageerde niet. 'Je rechterhand,' fluisterde haar zus in haar oor. Pas toen zag ik de violette, wegdraaiende ogen.

      Er behoorden ook twee schrandere jongetjes tot het gezin. Alle kinderen gingen naar school en deden het daar erg goed. Het blinde meisje had in Roemenië nooit iets geleerd, maar op haar Parijse blindenschool bleek ze volop capaciteiten te hebben. Pas had ze mogen meedoen aan de eerste casting voor blinde modellen.

     Drie jaar geleden was het gezin zonder één cent naar Parijs getrokken, vertelde de vader. Meteen na aankomst had hij een voorbijganger aangesproken, die hem hielp een Moldaviër te bellen. De Moldaviër had geregeld dat ze de volgende dag al in een opvangcentrum zaten. De huur van de studio's waarin ze nu woonden werd ook door een opvangorganisatie betaald. Om aan geld te komen (hij keek verontschuldigend toen hij het vertelde) was hij eerst aan het bedelen geslagen. Later ontdekte hij zijn muzikaal talent.

      Hij pakte zijn rode gitaar en begon erop te spelen. Met een verzaligd gezicht zong hij erbij. Caruso, dacht ik. Met wat lessen zou hij een operastem hebben. Zo'n man, met zo'n vriendelijk, open gezicht, net een echte Fransman, die wil je als metropassagier wel wat toestoppen. Op sommige dagen haalde hij wel honderd euro op, vertelde hij nadat hij weer met zingen was gestopt. Maar hij kreeg ook veel boetes, die hij altijd betaalde omdat hij over twee jaar officiële papieren hoopte te krijgen. 'Ik praat regelmatig met dieven,' zei hij zonder speciale nadruk, alsof hij het over een heel gewoon beroep had en het logisch was dat zulke mensen zich in zijn omgeving bevonden. 'Ze zeggen steeds: "Kom toch met ons mee, dan heb je twaalfhonderd euro per nacht." Maar dat doe ik niet, want dan kan ik legalisatie wel vergeten.' Zijn doel was om een paar busjes kopen en daarmee een pendeldienst tussen Roemenië en Parijs te onderhouden.  

    We kregen een maaltijd voorgezet. Meer bezoek arriveerde, andere Roma uit Roemenië, er logeerden altijd wel een paar landgenoten in de twee studio's. Na het eten vertrokken we in verwarring. Roemenen horen geen opvang te krijgen in Frankrijk, zeker niet als ze geen belangwekkend vluchtverhaal hebben. Met busjes nog meer Roemenen gaan halen lijkt me al helemaal geen goed idee. Maar mocht de man met de rode gitaar in Frankrijk mogen blijven, wat ik betwijfel nu Sarkozy regeert, dan zullen zijn kinderen het gaan maken, dat weet ik vrijwel zeker.    


___________________________________________________________________


15 november 2008

Verhevigd leven                                                          

Heb je net over een vuilnisbelt gesjouwd waar groepen Roma tussen het afval van een grote stad pookten, zit je ineens in het gedesignde kantoor van een uitgever aan de Herengracht. Na terugkomst uit Roemenië vind ik het altijd moeilijk om de onderwerpen weer aandacht te geven die voor mijn Nederlandse bestaan van belang zijn. De twee miljoen Roemeense Roma vormen met elkaar als het ware een ontwikkelingsland binnen een lidstaat van de Europese Unie. Een gat in de grond als wc, kinderen die nooit of onregelmatig naar school gaan, ziektes die vanwege geldnood niet aangepakt kunnen worden; je zou het een verhevigde vorm van leven kunnen noemen om daar een tijdje tussen te zitten.

      'Ik heb een klap tegen mijn hoofd gehad,' vertelde ik vrienden en familie na onze laatste reis. Een verbaasd 'oh?' was meestal de reactie. 'Onze reizen naar de Roma zijn altijd al behoorlijk gevaarlijk geweest,' vervolgde ik, 'vooral in het begin.' Daarmee was de conversatie wel zo'n beetje afgelopen. Toen ik in 2006 in Trouw een opiniestuk publiceerde over de situatie van de Roma in verschillende Oost-Europese landen, kwamen er nauwelijks reacties op. Een paar maanden later gaf ik in dezelfde krant mijn mening over de positie van schrijfsters in de Nederlandse literatuur. De e-mails stroomden toe; dit bleek de mensen hier wél bezig te houden.

     Juni 1990, Boekarest. Jaap voelt een hand in zijn zak. Iemand probeert zijn portemonnee te pakken. Daar houden wij niet van. Resultaat: een bloedende man op de grond en een andere die – weliswaar zonder portemonnee – hard wegrent, iemand met de huidskleur en de gezichtsvorm van de Roma, voor wie wij nou juist naar Roemenië waren gekomen. Nu, achttien jaar later, zijn Jaap's voortanden nog steeds gevoelig als hij er tegenaan tikt. Ook de ietwat scheve stand van zijn neus is blijvend gebleken.

    En toch zijn we keer op keer teruggegaan. Uit interesse, dat zeker. Uit betrokkenheid. Maar het heeft ook met iets anders te maken, denk ik. Verhevigd leven is verslavend.


___________________________________________________________________


8 november 2008

De meteoriet                                                       

Er werden telkens nieuwe baby's aangedragen. Tussen de generaties zit bij Roemeense Roma vaak maar vijftien jaar, al gauw stond ik samen met een stuk of zes heel jonge moeders over het beeldscherm van mijn camera gebogen. 'Ah, die is goed gelukt!' 'Schattig, kijk deze nou eens!' We schaterden allemaal, ons erop verheugend dat er binnenkort in de hutjes waaruit het gehucht bestond kleurige kiekjes aan de wand zouden hangen. Ik kwam hier al zeventien jaar, nog steeds was de armoede onaanvaardbaar groot.

       En toen werd alles zwart. Vaag drong tot me door dat er iets groots tegen mijn wang en oor was geknald. Een roofvogel, kon ik nog denken, er vloog een roofvogel langs en die is nou net tegen mij aangekomen. Of was het een dikke steen, ben ik toevallig door een meteoriet geraakt?

     Verdwaasd opende ik mijn ogen. Consternatie om me heen. De jonge moeders schreeuwden verontwaardigd. Het duurde minstens tien seconden voor ik begreep dat ik geslagen was, dat iemand me van achteren had benaderd en me toen een dreun tegen mijn hoofd had verkocht. In de verte zag ik die 'iemand' wegrennen en onder een hek doorkruipen. Het was een jongen van achttien die ik nog in mijn armen had gehouden toen hij zelf een baby'tje was, die ik destijds vertederd had gefotografeerd. Hij had nu drie kinderen en was zoals iedereen hier werkloos.

      Mijn oor deed pijn vanbinnen. Het voelde niet alsof er iets permanent beschadigd was. Niet huilen, niet huilen, dacht ik terwijl ik omstuwd door de jonge vrouwen naar het huisje van onze vrienden Sandu en Maria liep. Jaap, die ergens op bezoek was geweest, kwam aanrennen. Ook anderen schoten toe. Een dronken man greep mijn hand en drukte er zijn lippen op.

     Op het vertrouwde familie-erf vertelde ik Maria wat er was gebeurd. Ze keek ontredderd. Niet huilen, niet huilen, herhaalde ik in gedachten, tot ik zag dat haar onderlip trilde. Daardoor kwamen mijn tranen toch. Even later zaten Jaap en ik binnen op een bed, een ander soort meubels had de familie niet. Op het bed tegenover ons zat een rij in vodden geklede Roma mismoedig met het hoofd in de handen. 'Nu komen jullie natuurlijk nooit weer terug,' stootte iemand uit. Stilte. Alleen het sniffen van Maria en mij. 'Wij zijn niet allemaal zo,' klonk het nu, 'alsjeblieft, kom gauw bij ons terug.'

      Terwijl Jaap en ik diezelfde avond het gehucht verlieten, besloten we dat het maar eens afgelopen moest zijn met dat hele Roemenië. Jarenlang hadden we ons ingezet voor de stichting die we in 1992 oprichtten, en die tot doel had om Roma te steunen die andere Roma er bovenop hielpen. Resultaten waren er zeker geweest, maar de energie die we erin hadden gestoken was ten koste gegaan van ons eigen werk. En dan de vlooienallergie die ik in de loop van de jaren had opgelopen, mijn armen en benen zaten alweer vol met clusters van bulten. 'We gaan eerst een dag bijkomen op een camping,' zeiden we tegen elkaar, 'daarna rijden we linea recta terug naar huis.'

       Op de camping sliep ik slecht. Mijn vlooienbulten jeukten als gekken. Ik kon niet op de rechterkant van mijn gezicht liggen, in mijn oor was waarschijnlijk een zwelling ontstaan.

       Terwijl we de volgende dag onderuitgezakt op onze klapstoeltjes zaten kwam er een bescheiden wit kampeerwagentje het terrein op hobbelen. Nederlanders, ook dat nog, de eerste die we deze reis tegenkwamen. Ze stapten uit en installeerden zich. Daarna kwam de vrouw van het stel bij ons babbelen. Na drie minuten bleek dat ze een zus was van een van mijn aangetrouwde tantes, een dierbare tante uit Coevorden.

       We kregen te drinken, konden ons verhaal kwijt. Terwijl we de volgende ochtend nog bezig waren wakker te worden, verscheen er een hand met een cadeautje erin voor onze neus. 'Dag hoor, wij trekken weer verder.'

       Jaap en ik zijn toch maar in Roemenië gebleven en hebben onze reis volgens plan afgemaakt. Soms komen er niet alleen meteorieten, maar ook redders uit de lucht vallen.


___________________________________________________________________


1 november 2008

Stem op een echte vriend                              

Het was verkiezingstijd. Overal in het land hingen banieren en billboards met reclame voor plaatselijke burgemeesterskandidaten. Er stond dan ook veel op het spel – volgens de meeste Roemenen heel wat meer dan bij de landelijke verkiezingen. Geen woorden maar daden was de leus die ik het vaakste zag, maar ik noteerde ook: Hij doet en zwijgt niet en Stem op een echte vriend.

      Die laatste leus gaf het beste aan waarom deze verkiezingen zo belangrijk waren. Als ik de mensen bij wie ik logeerde mag geloven, moet je in Roemenië bij ieder doktersbezoek een attentie over de tafel schuiven. Ook docenten schijnen omkoopbaar te zijn, met name in examentijd. Wanneer je in zo'n land 'vriend' van de burgemeester bent, levert dat je bepaalde voordelen op. Andersom is ook het burgemeesterschap lucratief, zodat de kandidaten zelfs naar de gunsten van de allerarmsten hengelden, de Roma. Huis aan huis, hut aan hut deelden ze brood, vlees en spijsolie uit. Toen ik vlak voor de verkiezingen het dorpje Vâlcele bezocht, waren gemeentewerkers net bezig om de modderstraten van de Roma-wijk te bedekken met een toplaag van steentjes.

       De zittende burgemeesters hadden nog een andere troef. Van de naar schatting twee miljoen Roemeense Roma is een aanzienlijk aantal nooit door hun ouders aangegeven bij de burgerlijke stand. Belangenorganisaties worstelen al jaren met dit probleem, want het vergt een ingewikkelde en kostbare juridische procedure om een individu een officiële identiteit te geven. Nodig is het wel, want zonder papieren kan iemand niet trouwen, geen baan hebben en geen uitkering ontvangen.

       En ook niet stemmen. Vlak voor de verkiezingen waren er burgemeesters die hele groepen identiteitsloze Roma per bus naar het gemeentehuis lieten transporteren. Een probleem dat lange tijd vrijwel uitzichtloos had geleken, werd daar in een uurtje opgelost.  


___________________________________________________________________


25 oktober 2008

Râie Suedeza                                                      

Hij had problemen met zijn handen, schreef hij ons. Er zaten bobbeltjes op die nogal jeukten. Hij was bij de dokter geweest, maar de diagnose was onduidelijk gebleven. Wat dachten wij, zou het met zijn nerveuze gestel te maken hebben?

     Het leek ons geen rare veronderstelling. We hadden vaak bij hem thuis gelogeerd, in de zigeunerwijk van een Zuid-Roemeense provinciestad. Als oprichter van de eerste school voor Roma-kinderen in Roemenië had hij strijd met alles en iedereen moeten leveren. Uiteindelijk was de school een dependance van een officiële basisschool geworden, waarvan al achthonderd kinderen hadden geprofiteerd. Maar toen de basisschool een nieuwe directeur kreeg, was hij de eerste die eruit vloog. Geen lesbevoegdheid, ophoepelen jij, ga maar thuiszitten.

     Het bobbeltjesprobleem werd steeds groter. Het duurde nu een jaar, niets hielp. Via zijn neef, die op hetzelfde erf woonde en kon e-mailen, vroeg hij of er in Nederland een medicijn voor bestond? Wij gingen naar het Kruidvat en schaften een zalfje voor hem aan, een homeopathisch middel tegen huidirritatie. Omdat we toch naar Roemenië moesten stuurden we het niet op, maar stopten het bij de bagage. Als het hielp zouden we hem later een grotere tube kunnen sturen.

     We arriveerden bij zijn huis, ik wilde hem kussen. Snel weerde hij me af en pakte mijn hand. Nadat hij daar zijn lippen op had gedrukt, toonde hij zijn eigen handen en zijn voorhoofd. Overal zaten blaasjes, waarvan hij een deel kapot had gekrabt. Ook achter zijn oren speelde het probleem zich af, daar waren door het krabben bruine korstjes ontstaan. Hij was altijd een edele man geweest wiens trekken me aan Krishnamurti deden denken, maar nu leek hij wel verminkt, met witte stukjes huid op de plekken waar blaasjes hadden gezeten. Zelfs zijn welgevormde neus was wit-bruin gespikkeld.  

    Ons zalfje hielp niet. Voortdurend zagen we hem krabben. In Roemenië zijn de mensen wel wat gewend, hij functioneerde nog normaal, maar dit kon zo niet doorgaan. Nadat we een dag of vier intensief met hem waren opgetrokken reisden we bezorgd weer verder. Eenmaal terug in Nederland kregen we bericht van de inwonende neef. Zijn oom was naar een andere dokter gegaan. Het probleem had een naam gekregen, het heette: râie Suedeza.

     Suedeza betekent Zweeds, daarvoor hoefde ik niet in het woordenboek te kijken. En râie? Dat bleek Roemeens voor 'schurft' te zijn. Op een website las ik hoe schurft ontstaat: doordat mijten gangen onder de huid graven. In die gangetjes vindt copulatie plaats, waarna het mijtenmannetje sterft. Douchen helpt, de sterfte van larven op het lichaam is dan groot.

      Onze vriend had geen douche. Hij had zelfs alleen maar één koudwaterkraantje in de tuin. En zijn dokter had zich een land vergist. Opnieuw de website: Bij Noorse schurft (naar een epidemie in Noorwegen in 1848) is het aantal mijten vele malen groter. De huidschilfers zitten dan vol mijten en jongere mijtenstadia. Deze schilfers zijn zeer besmettelijk. Verspreiding kan plaatsvinden via vluchtig contact en zelfs door wapperen met kleding of beddengoed. Iedereen die huidcontact heeft met een dergelijke patiënt loopt een hoog risico, net als degenen die bij contactpersonen in de buurt komen.

      Het is nu een paar maanden later. Telkens informeren we bij de neef, telkens sturen we hem Roemeenstalige informatie over hygiënische maatregelen bij schurft. En heeft je oom al een medicijn tegen zijn râie Suedeza gebruikt? Nee, dat heeft hij nog niet, schrijft hij dan terug. Zijn gezicht, handen en ook andere delen van zijn lichaam zitten nu vol wondjes.

      Vriendelijke groeten van een contactpersoon.


naar blog algemeen