MARIËT  MEESTER

to English version                                                                                  

naar blog Roma                                                                                  

20170613_Colette_MariëtMeester.jpg

13 juni 2017

Met enige weemoed heb ik afscheid genomen van Privé-domein 291, een door vertaalster Kiki Coumans samengebrachte verzameling autobiografische teksten van de Franse schrijfster Colette. Tijdens het lezen ervoer ik ongeveer hetzelfde als toen ik jaren geleden de hele serie Paustovski in Privé-domein had ontdekt: wat is dit mooi, waarom wist ik dit niet, waar kan ik nog meer van deze auteur vinden en zal ik dit zelf ooit ook zo kunnen? Colettes stijl is van een bijna onhaalbaar poëtisch niveau. En wat schrijft ze zintuiglijk, wat heeft ze goede ogen en een goede neus. Voor ik haar boek in de kast zet, sla ik het nog eenmaal open en lees een willekeurige frase, over de reflecterende gloed van een vlammend rode rij geraniums ‘die mijn kinderwangen hun hoogrode kleur gaf’. Dit boek blijft vast niet lang in de kast.

____________________________________________________________________


2 juni 2017

Hij zat met zijn voeten in een bak water op het trapje van zijn woonwagen, ergens in het zuiden van Nederland op een warme dag. ‘Waar ben jij opgegroeid?’ vroeg hij mij. Tweeënnegentig was hij nu, ik wist dat hij zelf van jongs af aan had rondgereisd en dat het er daardoor niet van was gekomen om naar school te gaan. Het dorp dat ik noemde kende hij wel, zei hij. Toen hij ‘stout’ was geweest, zoals hij het uitdrukte, was hij naar Maastricht gestuurd om daar drie maanden uit te zitten. Maar dat ging niet meer op zijn leeftijd; hij was gewend aan lopen, aan bewegen, aan vrijheid. Toen was besloten dat hij naar Veenhuizen mocht, naar Bankenbosch, losse paviljoens in de natuur. Ook daar riep hij kennelijk de sympathie op die hij verdiende, want in Bankenbosch had hij passend werk gekregen: hij mocht schaftketen schoonmaken, die leken immers op woonwagens. Hoewel het hem er prima was bevallen, vond hij mijn afkomst toch sneu, daarom sprak hij troostende woorden

____________________________________________________________________


20170523_compilatie_muis_MariëtMeester.jpg

23 mei 2017

Tijdens een reis die we voor een van mijn boeken maakten, werd er ineens een bolletje sokken uit de koffer gehaald. Er bleek een muis in verstopt te zitten, een muis met magneten in de voorpoten. ‘Heb ik thuis in Amsterdam voor jou gekocht, voor als je het onderweg eens moeilijk zou krijgen.’

     Sindsdien wordt de muis regelmatig ingezet. Telkens weet hij me op het juiste moment met capriolen te verrassen. Soms zit ik al uren in mijn werkkamer voor me opvalt welke pose hij nu weer heeft aangenomen. Dit is een kleine selectie van de foto’s die ik de afgelopen jaren van het beest heb gemaakt. De laatste is van vandaag, en opnieuw werkte het.

____________________________________________________________________


4 mei 2017

Vroeger, toen Veenhuizen nog een gesloten dorp was, mochten er alleen gezinnen wonen die bij de drie gevangenissen betrokken waren. De justitieambtenaren kwamen uit het hele land, ze werden vanwege hun nette Nederlands ‘koloniekak’ genoemd.

     Vandaag, op 4 mei, werd bij mij thuis een doosje met exemplaren van de vijfde druk van dit boek bezorgd. Vandaag wordt ook de man op het omslag herdacht. Als gevolg van zijn verzetswerk werd Hendrik Egberts naar Neuengamme afgevoerd, waar hij op 26 februari 1945 door ophanging om het leven kwam. Na de oorlog moesten zijn vrouw en zoontje Veenhuizen verlaten. Zonder kostwinner was er geen band met justitie meer, zo luidde de redenatie.

      Arie Egberts, nu 84, is een van de initiatiefnemers van de plaquette met namen op het verzetsmonument in Veenhuizen, tussen het Nationaal Gevangenismuseum en de Penitentiaire Inrichting Esserheem. Ook vanavond zal Arie zijn vader daar weer herdenken.

____________________________________________________________________


21 april 2017

Bij de officiële overdracht van zeven dozen materiaal aan het Drents Archief, deed Marcel Möring gisteren een oproep aan andere kunstenaars die een band met Drenthe hebben. ‘Breng je archief ook naar Assen, naar de provincie waar je bent opgegroeid en die je heeft gevoed.’ Volgens het Dagblad van het Noorden viel daarbij ook mijn naam. Mijn eerste reactie was verbouwereerdheid. Voor zover ik weet ben ik nog niet dood, ik heb die spullen nodig. Je weet maar nooit waarvoor ik mijn knipsels, brieven en dagboeken kan gebruiken, ik ben nog lang niet klaar met mijn werk. Maar ik zal eens over de toekomst gaan nadenken. Wat het Drents Archief overigens al wel van me mag hebben, is het gastenboek van het schrijvershuis in Veenhuizen, waarin de tijdelijke bewoners hun bevindingen hebben gerapporteerd. Ook is er een map met artikelen over het huis, inclusief blogs en columns van de binnen- en buitenlandse auteurs die er verbleven. Over een paar jaar kan er dan iemand promoveren op de onderzoeksvraag waarom er in een dorp met zoveel leegstand geen schrijvershuis mocht blijven bestaan.

____________________________________________________________________


14 april 2017

Naar aanleiding van mijn nieuwe boek ‘De tribune van de armen’ wordt me regelmatig gevraagd of de Andalusische Semana Santa te vergelijken is met The Passion. Eerlijk gezegd heb ik geen idee, ik heb The Passion nog nooit gezien. Gisteren had ik me voorgenomen er nu toch eens naar te gaan kijken, maar ik was aan het lezen in een titel uit de Privé Domeinreeks, autobiografische verhalen van de fascinerende Colette, en toen ben ik het toch weer vergeten.

       Deze video geeft niet alleen een indruk van mijn boek, maar ook van de Semana Santa in Málaga. Vandaag wordt onder begeleiding van trage treurmarsen ‘El Sepulcro’ weer door de straten gedragen. Mij ontroert dat.

____________________________________________________________________


9 april 2017

Hoe je je huis achterlaat in chaos. Hoe op weg naar Utrecht de benzinetank van de auto bijna leeg blijkt te zijn. Hoe je in een zinderend café praat met Felix Meurders en daarna, racend op weg naar boekhandel Daan Nijman in Roden, je nette kleren aantrekt in de wc van een wegrestaurant. Hoe je dan uiteindelijk met je armen vol bloemen weer thuiskomt in Amsterdam, terwijl je weet dat er bij Athenaeum aan het Spui een complete etalage aan je boek is gewijd. En dan zie je, terwijl je opruimt en de vazen vult, de gezichten van al die lieve luisterende mensen op beide presentaties weer voor je. En je denkt: ja, de lancering van ‘De tribune van de armen’ is fantastisch verlopen.

____________________________________________________________________


27maart 2017

Wanneer de stress ons te veel wordt, gaan wij altijd naar onze woonwagen. Vandaag was het zo’n dag. Ik schrijf er hier nooit over, maar mijn ouders zijn hoogbejaard en dat is allemaal niet zo makkelijk. Morgen ben ik bijvoorbeeld niet op het Boekenbal, maar bij mijn moeder in het verpleeghuis.

       Maar vandaag reisden wij dus naar onze woonwagen, en dat werkte meteen. Ik heb er over de weilanden liggen staren, ik heb verhalen van Gogol gelezen, en aan het eind van de middag heb ik warempel een paar aantekeningen voor een toekomstige roman gemaakt.

      Toen we terugkwamen in Amsterdam, stond er een prachtige bos bloemen op de trap. Nieuwsgierig keek ik op het kaartje, voor welke buren zouden die zijn? De tekst op het kaartje luidde: Beste Mariët, van harte gefeliciteerd met de 5e druk van Koloniekak! Groetjes van iedereen van het Huus van de Taol en het Drentse Boek in Beilen.

      Wow, wow, wow, wat een afsluiting van deze dag. Ga je één keer vreemd met een kleine Drentse uitgeverij, en kijk eens wat ervan komt. Groetjes terug daar in Beilen, en allemaal hartelijk bedankt voor de fantastische samenwerking.

____________________________________________________________________


20 maart 2017

Mijn nieuwe boek ‘De tribune van de armen’ begint met een beschrijving van vroegere ervaringen in Andalusië. Deze foto uit die tijd is mij zeer dierbaar, evenals het verhaal dat eraan vastzit. Terwijl we met een ezeltje een voettocht maakten van Sevilla naar Granada, een wandeling van meerdere maanden, kocht ik ergens een Spaanse krant. Er stond een artikel in over een onderwerp dat me meteen intrigeerde. Het ging over een veroordeelde crimineel die in de stad Málaga tijdens een paasprocessie zou worden vrijgelaten, een eeuwenoude traditie. Daar wilde ik graag meer van weten. Tenslotte ben ik opgegroeid in een gevangenisdorp, voor mij was het ondenkbaar dat in Veenhuizen ieder jaar zomaar de celdeur voor een gedetineerde zou worden opengezet. Maar in de loop van de tijd kregen telkens andere thema’s voorrang, en zo heeft het enkele decennia geduurd voor het me eindelijk is gelukt om tijdelijk in Málaga te gaan wonen en me ter plekke in dit raadselachtige onderwerp te verdiepen. Als vanzelf dienden zich toen ook andere observaties over Andalusië aan.

____________________________________________________________________


13 maart 2017

Wat moet er toch veel gebeuren voor een boek klaar is! Je moet het idee bedenken, de uitgeverij er enthousiast voor maken, zin na zin de tekst schrijven. En dan ben je er nog niet, want dan gaat je huisgenoot los met kritische opmerkingen. Vervolgens stuur je het manuscript naar je redacteur, die de tekst globaal beoordeelt. Als dat positief uitvalt, ga je een tweede versie maken, tot je het resultaat kunt voorleggen aan iemand uit je kennissenkring. In het geval van ‘De tribune van de armen’ was dat Sander Klomp, die samen met zijn Spaanse vriendin een mooi klein hotel heeft in Málaga-stad, Casa de las Mercedes (zie foto). Sander weet echt álles, ook over Andalusië in het algemeen. Zijn opmerkingen waren zeer waardevol, en tot mijn opluchting gingen ze gepaard met complimenten. Maar toen was ik er nog steeds niet, toen kwam er nog een persklaarmaker aan te pas die de tekst nauwkeurig analyseerde, en daarna werden een corrector, een vormgever en een eindredacteur ingezet. En ja: na tweeënhalf jaar werken kan ‘De tribune van de armen’ begin april verschijnen. Toen ik de eindredacteur bedankte voor haar inzet, schreef ze me: ‘Het wordt een prachtboek.’

____________________________________________________________________


6 maart 2017

De 'Tribune van de armen' is een bekende plek in Málaga. Aan het begin van de Calle Carretería, een straat die de loop van de vroegere stadsmuur volgt, ligt een stenen trap waarover je een hoger gelegen dwarsstraat kunt bereiken. Van onderen is de trap heel breed, naar boven loopt hij taps toe, als een omgekeerd Romeins theater. Tijdens de jaarlijkse paasprocessies is het een gratis tribune met het allerbeste zicht, en zo is de trap aan zijn naam gekomen. Midden tussen de mensen die de paasweek het meest intens doorleven, kun je er van bovenaf een schouwspel met vele facetten gadeslaan. Terwijl anderen opgeprikt langs de officiële route zitten, maak je op deze tribune het echte leven mee. Zelf heb ik er ook heel wat uren doorgebracht, voornamelijk ’s nachts, en een van de hoofdstukken van mijn nieuwe boek heb ik dan ook de naam van deze trap gegeven. Later bleek het zelfs de titel van het geheel te worden. ‘De tribune van de armen’ wordt op 6 april gepresenteerd bij Athenaeum in Amsterdam en op 8 april bij Daan Nijman in Roden.

____________________________________________________________________


17 februari 2017

Na vijftien maanden in Málaga mis ik in Nederland niet alleen de zon en de mensen, maar ook het Spaanse eten. En dan heb ik het niet over het eten in restaurants, maar het eten dat ik klaarmaakte op ons eigen aanrecht. De markten en supermarkten in Málaga zijn uitstekend, en langzamerhand beginnen er ook winkels met biologische voeding te komen. Maar op een gegeven moment ontdekten we de website van Guadalhorce Ecológico, een collectief van telers uit de omgeving, en toen was er geen houden meer aan. Iedere week vulde ik het online bestelformulier in, watertandend van alle mooie plaatjes van groentes en fruit. Op een vaste dag kwam er dan een autootje voorrijden en werd er een grote doos onze etage binnengedragen. Alles wat erin zat, kwam net uit de grond of van de boom, alles zag er even aantrekkelijk uit. Verse vijgen! Sappige sinaasappels! Aardbeien per kilo, tomaten in alle verschijningsvormen. En het watertanden is nog steeds niet afgelopen, want terug in Nederland heb ik het niet kunnen opbrengen de wekelijkse bestelbrief af te zeggen, nog steeds krijg ik al die heerlijkheden onder ogen. De boodschap aan mezelf is duidelijk: eigenlijk wil je graag weer naar Málaga.

____________________________________________________________________


2 februari 2017

Wat kan een rolmodel toch belangrijk zijn. Vroeger, ik had nog geen woord gepubliceerd, was de onverschrokken Italiaanse journaliste Oriana Fallaci een van mijn voorbeelden. Toen ik laatst haar boeken weer eens pakte, ontdekte ik dat die ook iets over mij zeiden.

     Ik herinnerde me vooral ‘Een man’, over Oriana’s relatie met de Griekse verzetsstrijder Alekos Panagoulis. Destijds lééfde ik met die twee, in stilte zag ik ze als mijn vrienden. Maar anders dan ik dacht, bleek mijn exemplaar van het boek niet ‘Een man’ te heten, het heette ‘Un homme’, ik had het gelezen in het Frans. Ineens zag ik mezelf er weer in verdiept, nog maar drieëntwintig, met mijn vriend op trektocht door Frankrijk in een woonwagentje. In het boek had ik een Nederlands knipsel geplakt, een uitspraak van Oriana. ‘Mijn moeder zei altijd tegen me: “Doe niet zoals ik. (...) Ik wil dat je gaat werken en rondreizen, dat je onafhankelijk wordt.”’

      Er stonden nog drie boeken van Oriana Fallaci in mijn kast. In een ervan had ik zelf iets voorin geschreven, waaruit ik kon afleiden dat ik het op mijn negenentwintigste verjaardag tweedehands had gevonden in Granada. De titel was ‘Entrevista con la historia’; interviews met wereldleiders, in het Spaans.

     Een Oriana Fallaci ben ik niet geworden, en zo uitdagend als op mijn achtentwintigste, met mijn arm losjes over ons paard, ben ik ook niet meer. Maar ik reis nog, ik ben onafhankelijk en ik publiceer boeken. Grazie!

____________________________________________________________________


26 januari 2017

’s Avonds in bed lijken mijn hersens soms een woeste kluwen garen. Dan lig ik me bijvoorbeeld af te vragen of ik een anti-Trumpmuts zal breien, waarna de roze draden vanzelf veranderen in zwarte. Terwijl ik me zorgen begin te maken over de wereld, som ik in stilte op wat er allemaal wél goed gaat, en dat is nog steeds een heleboel. Niet verstandig om deze tijd te vergelijken met de periode voor de Tweede Wereldoorlog, zeg ik dan tegen mezelf, want een groot aantal factoren komt niet overeen. Het ‘verzet’ is nu veel groter en heeft meer middelen ter beschikking. Maar daar komt een gele draad uit de kluwen tevoorschijn en ineens lig ik tegen de mensen te oreren die het heil van een geblondeerde politicus verwachten. Ik span me in om te begrijpen waarom ze zo schelden op ‘die linksen’, want velen van hen hebben het nodige te danken aan linkse politici die zich voor hun belangen hebben ingezet. Is de mens van nature ontevreden of wordt hij gedreven door angst? Is het moderne leven te ingewikkeld, heeft het daarmee te maken dat je tegenwoordig relatief veel verongelijkte gezichten ziet? Hoe is het mogelijk dat de Nederlandse premier niet snapt dat je meer bereikt met overleg, met humor, met rechtvaardige strengheid, in plaats van met het verdacht maken van een vage ander, zoals hij nu zelfs in advertenties doet? En daar ga ik weer, blauwe, oranje en groene draden uit mijn hersenkluwen ontwarrend. Middernacht is ruim gepasseerd, een nieuwe dag staat te beginnen.

____________________________________________________________________


17 januari 2017

Pats! Er kwam een opdracht uit de lucht vallen. Niet voor mij, voor mijn partner Jaap de Ruig. Er werd hem een tentoonstelling met Roy Villevoye en Brele Scholz aangeboden in het nieuwe museum De Domijnen in Sittard. De conservator wilde graag dat hij naast twee bestaande werken ook een nieuw project zou laten zien, het liefst iets wat te maken had met de woonwagenbewoners in en rond Sittard.

     Nu had ik net de drukproef van mijn Málagaboek ingeleverd, dus ik had tijd om te helpen. Doordat we zelf al meer dan dertig jaar een woonwagen bezitten, wisten we dat sommige mensen in hun salonwagen een miniatuur-reiswagentje opstellen. Zou het een idee zijn om daarvan een aantal te exposeren in het museum, samen met videobeelden van de eigenaars? Zo’n wagentje vertegenwoordigt hun hart, hun ziel, hun cultuur.

      Er was haast bij, dus van het ene op het andere moment zaten we vijf dagen in Sittard. Na een moeizaam begin – kille sneeuwvlagen, deuren op een kier – begon het plan vorm te krijgen, met als hoogtepunt ons bezoek aan een meneer in een woonwagen die als hobby zelf mini-wagens maakte. Iemand had hem er een keer geld voor geboden, vertelde hij verbaasd. Nadat hij het bedrag had genoemd, keken wij elkaar aan en wisten genoeg.

     En zo komt het dat ik terug in Amsterdam deze foto heb kunnen maken. Onze nieuwe woonwagen is bijna een meter lang, er horen twee paarden bij, de inboedel is compleet en het kacheltje brandt.

____________________________________________________________________


7 januari 2017

Gisteren was ik op de presentatie van Eden, de nieuwe roman van Marcel Möring. Hij heeft eraan gewerkt in het schrijvershuis in Veenhuizen. ‘Welk hoofdstuk heb je nou bij ons gemaakt?’ kon ik niet nalaten te vragen, want als voormalige huisbazin ben ik altijd een beetje trots als er een titel verschijnt waaraan ik iets heb kunnen bijdragen.

      Marcel en ik hebben oude banden. Tijdens de middelbare school liepen we rond in dezelfde stad, al zijn we elkaar destijds nooit tegengekomen. Onze eerste ontmoeting was in Amsterdam, waar we op dezelfde dag debuteerden bij dezelfde uitgeverij. Daarna waren we afwisselend bevriend of hielden elkaar alleen maar uit een ooghoek in de gaten. Sinds zijn verblijf in Veenhuizen noemen we elkaar weer met groot genoegen ‘MM 1’ en ‘MM 2’, in het midden latend wie wie is.

      Gelukkig vroeg MM mij gisteren niet hoe het schrijvershuis er tegenwoordig bij staat, want dan had ik moeten antwoorden dat het sinds de beëindiging van het project door één anti-kraker wordt bewoond. Maar die lijkt weinig aanwezig te zijn, het huis staat er kil en somber bij. Op de ramen zitten plakkaten van een anti-kraakbedrijf. De kamers op de bovenverdieping schijnen nummers te hebben gekregen, alsof men had gehoopt er meerdere mensen te huisvesten.

      Deze tekening is gemaakt door een andere bevriende auteur, Herman Stevens. Hij heeft een geografisch kwartet voor zijn dochtertje gemaakt en koos voor de provincie Drenthe natuurlijk ook Veenhuizen uit.

____________________________________________________________________


6 december 2016

'Ga je ook naar het volgende Boekenbal?' krijg ik regelmatig te horen. De vraagsteller ziet dan vast een fraaie avondjurk voor zich, en dat klopt helemaal: het dagelijks bestaan van een schrijfster is vol glitter en glamour. Voortdurend poseer ik in beeldschone toiletjes voor reportages in glanzende tijdschriften, zodat – oeps, ik geloof dat ik keihard zit te liegen.

     Mijn realiteit op dagen als deze is als volgt: ik bevind me in mijn eentje in een zolderkamer die lastig te verwarmen is, zodat ik af en toe tegen de radiator moet gaan staan. Mijn voeten zijn gestoken in sportschoenen die 'vintage' genoemd kunnen worden, ik heb ze al minstens vijftien jaar. Mijn benen worden omhuld door een zwarte broek met een vermoeide rits, met daaronder een thermolegging van de HEMA. Mijn thermoshirt komt hetzelfde bedrijf, en eroverheen heb ik twee gebreide vesten, het bovenste een afdankertje van mijn geliefde. De capuchon is over mijn hoofd geslagen zodat mijn nek goed warm blijft. Mijn oren sluit ik af met een koptelefoon, wat enorm helpt bij de concentratie. Daarmee is het beeld nog niet compleet, want om soepel te typen draag ik hetzelfde als in de zomermaanden: vingerloze handschoenen.

        Zal ik volgend jaar maar eens in de échte outfit van een schrijfster naar het Boekenbal gaan?

____________________________________________________________________


17 november 2016

Recent had ik het geluk vijftien maanden in de stad Málaga te kunnen wonen. Ik verzamelde er materiaal voor een non-fictieboek, dat – tipje van de sluier – iets te maken heeft met mijn afkomst uit een gevangenisdorp. Ik wist dat ik na terugkeer in Nederland al snel opnieuw op reis zou gaan, met vrienden naar Alaska, dus het was een race tegen de klok om het boek over Málaga voor die tijd af te krijgen. Het lukte, op de laatste dag voor vertrek kon ik de tekst naar De Arbeiderspers sturen. In Alaska kreeg ik een e-mail van de uitgeverij met de mededeling dat ik moest komen praten, en één dag na terugkomst zat ik al aan tafel met mijn redacteur. Over het algemeen krijg je dan de nodige aanmerkingen over je uitgestort, waarna je op de fiets naar huis al op een verbeterde versie zit te broeden. Ditmaal ging dat tot mijn verwondering anders, in de kantlijn van het manuscript stonden voornamelijk complimenten. En zo ben ik in de gekke situatie beland dat het boek al min of meer klaar is, terwijl het pas op 4 april 2017 verschijnt. Hoewel ik er het liefst uitgebreid over zou vertellen, lijkt het me verstandiger om dat nog maar even niet te doen.       Oké dan – tweede tipje van de sluier: er komen foto's in. Niet deze, andere, die een directer verband met de inhoud hebben.

____________________________________________________________________


9 november 2016

Op mijn Facebooktijdlijn lees ik de ene na de andere tekst van mensen die net als ik nauwelijks hebben kunnen slapen, die vanochtend hoorden dat Trump de Amerikaanse presidentsverkiezingen heeft gewonnen en die vervolgens moeilijk uit hun bed konden komen. Eerlijk gezegd kan ik ook niet werken. Net heb ik een stuk papier en een plastic verpakking in de vuilnisbak gesmeten onder het uitroepen van: 'Geen gezeik met afvalscheiding, ik doe als Trump.' Ik voel me bang, boos en verward. Toen ik onlangs door Alaska reisde, heb ik de nodige steunbetuigingen aan Donald Trump gezien, en nergens aan Hillary Clinton. Eén Alaskaan, brandweerman, heeft me uitgelegd dat het de Alaskanen vooral om 'God, guns and guts' gaat. Ze zijn gelovig, willen hun wapens houden - sommige van zijn collega's hadden er twintig tot dertig in huis. Het woord 'guts' stond volgens deze brandweerman, zelf Democraat, voor abortus, en daar is de meerderheid in Alaska tegen. In een supermarkt heb ik een tijdschrift gezien met Clinton op de cover. Ze was met Photoshop dik gemaakt, om te bewijzen dat ze doodziek was. Op een jaarmarkt stond een rijdende kraam van een Republikeinse vrouwenclub, die met ongeciviliseerde teksten reclame voor Trump maakte. 'An armed man is a citizen. An unarmed man is a subject.' Bij een verloting kon je er een wapen winnen. Een van mijn Amerikaanse nichten, de liefste en zorgzaamste vrouw van de wereld, plaatste op Facebook een pro-Trump tekst. En toch heb ik het niet willen geloven, toch heb ik gedacht dat het verstand en de rede zouden zegevieren. Maar behalve bang, boos en verward, voel ik me waakzaam en alert. Ik wil dit begrijpen en doorgronden. Misschien valt het mee, misschien zijn de democratische instituties sterk genoeg. Misschien gaat Trump fouten maken en keren de mensen zich vanzelf wel van hem af. Misschien...

____________________________________________________________________


8 november 2016

Tegen beter weten in heb ik tussen mijn e-mails gezocht naar berichten aan Helga Ruebsamen. In 1997, het jaar dat haar boek 'Het lied en de waarheid' verscheen, ontmoette ik haar tijdens de Taaltheaternacht in Emmen. Achter de schermen vertelde ze over de kampeerbus waarin ze altijd naar dergelijke optredens reed, en waarin ze dan genoeglijk bleef slapen. Maar nu had ze er niet zo'n zin meer in: haar hond was dood. Het was een grote, een zwarte, een Rottweiler.

     Zelf vertelde ik ook over mijn leven; over mijn vriend, onze woonwagen en de 'ezelbehoefte' die het onderwerp was van mijn bijdrage aan de Taaltheaternacht. Ineens wist ze het: 'Jullie zijn de mensen bij wie mijn kampeerbus hoort. Ik gun hem jullie.' Helaas konden we het aanbod niet accepteren wegens gebrek aan rijbewijs, maar ik heb er nog vaak aan gedacht, zeker nadat ik dit voorjaar, toen we in Málaga woonden, 'Het lied en de waarheid' in een boekwinkeltje zag staan. Hongerig naar mijn eigen taal kocht ik de roman onmiddellijk, ook al stond hij in een mooie gebonden uitgave in mijn Amsterdamse kast.

      Negentien jaar na verschijning heb ik 'Het lied en de waarheid' opnieuw gelezen, en opnieuw vond ik het een fenomenaal kunstwerk. Wat een taal, wat een brille, wat een verbeelding. En ik dacht: ik ga Helga Ruebsamen schrijven om haar te complimenteren. Maar het is er niet van gekomen, en nu is het niet meer mogelijk. Ik hoop dat tussen haar papieren het beloofde tweede deel wordt gevonden.

____________________________________________________________________


16 oktober 2016

Op onze eerste dag in Alaska ontbeten we in een restaurant dat in alle opzichten beregezellig was, in het midden stond een opgezette beer. Het ontbijt, pannenkoeken van wel een centimeter dik, werd gebracht door een oudere serveerster, een volkse vrouw met lang haar die vast het nodige had meegemaakt. Ze zag meteen dat één van ons vieren een vogeltje op haar trui droeg, een verfijnd meesje, aangeschaft tijdens een eerdere reis naar Alaska. 'Beeldschoon,' vond ze.

       Een aantal dagen later, we zaten inmiddels een stuk noordelijker, zagen we in een winkel zo'n zelfde vogeltje. Het was bepaald niet goedkoop, maar onze vriendin zei meteen: 'Zal ik hem meenemen voor die mevrouw?'

        En zo ontbeten we op onze laatste dag in Alaska weer in het beregezellige restaurant. Het vogeltje zat in een juwelendoosje. Iemand anders bediende ons, maar verderop liep de langharige vrouw af en aan met dampende borden.

        'Ik durf niet,' zei onze vriendin. 'Zal ik het aan iemand in Nederland geven?'

      'Doe het nou maar,' en daar ging ze toch, naar de andere kant van het restaurant. Ik zag hoe ze de vrouw het doosje gaf, hoe er een scène volgde met openmaken, verbluft zijn, omarmen en nog eens omarmen.

     'Weet je wat ze zei?' vertelde onze vriendin toen ze weer bij ons terug was. '“You made my fucking day.” Echt, dat zei ze.'

    We kregen allemaal een rode kop en moesten ons servetje pakken. 'You made my fucking trip,' dacht ik. Dezelfde vrienden die voor een onbekende in Anchorage een sieraad hadden gekocht, hadden ons tweeën een onvergetelijke reis cadeau gedaan.

____________________________________________________________________


12 oktober 2016

Het weer in Alaska zat telkens mee, de muts en de handschoenen bleven in de koffer. Maar op het schip was het allemachtig koud, ik was blij met mijn hoofdbedekking van namaakbont. Er stond een fikse wind en er kwamen regenvlagen uit de lucht.

       We zagen dolfijnen, orka's en een walvis. Aan het einde van Resurrection Bay staarden we naar ons ultieme doel: een blauwwitte gletsjer waarvan af en toe een stuk losraakte. Het viel dan met veel geraas in het water, een lawine van bevroren brokken.

        Later, het schip koerste weer naar de haven terug, ging een jong personeelslid rond met een stuk gletsjerijs dat we mochten aanraken en optillen. 'Hoe heb je het voor elkaar gekregen om dat uit het water te krijgen?' vroeg ik.

         'Nou, ik ben over de reling geklommen, ik zette mijn voeten tegen de boeg en zo kon ik met mijn hand naar het water reiken.'

          Ik keek hem ongelovig aan, tot hij zei: 'Nee hoor, we hebben een schepnet.'

        Terwijl de kapitein extra snelheid begon te maken, vervolgde de jongen zijn ronde met het ijs. Oei, dacht ik, ik voel me ineens niet zo lekker, ik moet even op die trap gaan zitten.

         Al snel kwam de jongen weer naar me toe. 'Alles oké?'

       'Jazeker,' antwoordde ik. 'Daarnet ben ik rond het schip gezwommen, ik ben er ook nog overheen gevlogen en nu rust ik lekker uit.'

        Hij had natuurlijk meteen door dat ik een poging deed hem zijn grap betaald te zetten, en we belandden in een lang en levendig gesprek. Mijn opkomende zeeziekte was weer over.

____________________________________________________________________


4 oktober 2016

Het watervliegtuigje landde in een baai van een Alaskaans schiereiland. Met de lieslaarzen tot kniehoogte omgerold slaagde ik erin via een drijver op de wal te komen, net als de andere vier deelnemers aan dit avontuur. De gids legde uit dat we als gansjes achter elkaar moesten lopen, zodat we zo onzichtbaar mogelijk waren voor beren en andere wilde dieren. Mocht er een beer met slechte bedoelingen verschijnen, dan moesten we ons juist schouder aan schouder breed gaan maken. Beren hebben slechte ogen, ze zouden ons aanzien voor een enorme tegenstander.

        Algauw zagen we afdrukken van klauwen in het vochtige zand, zowel van wolven als van beren, en dat alles in een weidse rivierdelta met op de achtergrond besneeuwde vulkanen. Na een uur kwam de eerste bruine beer in beeld, een volwassen vrouwtje, al volgegeten voor de winter. Nu nam ze het ervan; ze groef een kuil, ging erin liggen zonnen, poedelde wat in het water en deed een spelletje met een stok. Ademloos keken wij toe vanaf een aangespoelde boomstam.

        Op de terugweg naar het watervliegtuig bleek dat het vloed was geworden, sneller dan de gids had verwacht. De rivier, die eerst rustig kabbelde, werd nu gevuld met krachtig stromend zeewater. Dat leidde tot het gevaarlijkste moment van de dag: met de lieslaarzen hoog opgetrokken naar de overkant waden. Het enige alternatief was achterblijven bij de berin.

         Eenmaal aan de overkant zag ik een stuk of vier zeehonden landinwaarts zwemmen.

____________________________________________________________________


26 september 2016

Het zijn Nederlanders, natuurlijk zijn het Nederlanders, die zitten overal, ook aan het eind van een doodlopende weg in de vallei van de Knik River in Alaska. Evelyne en Peter Schadee hebben er een park met blokhutten opgezet, de Knik River Lodge.

      Op een ochtend stond Peter tijdens het ontbijt ineens naast onze tafel en sprak de volgende woorden: 'Ik heb een verrassing, er zijn twee plaatsen vrij in de helikopter, jullie mogen mee.'

     Huh? In een helikopter, wie, ikke? Eerst probeerde ik eronderuit te komen, maar verdorie, ik leek wel gek, en zo stond ik even later toch een verklaring te ondertekenen waarin ik de risico's accepteerde. Een halfuur erna zat ik achter de piloot, een coole gast in ruige kleren die zijn machientje, weinig meer dan een vergrote mug, rechtstandig liet opstijgen. Het was een heldere dag, eerst zag ik beneden me het dal van de Knik, daarna een watervlakte waarin brokken ijs dreven. Erachter begon een blauwwitte, door gruis en sediment bestoven ijsvlakte vol ravijnen.

      De piloot landde op de gletsjer, de oorsprong van de rivier. Nadat we spijkerzolen onder onze schoenen hadden gebonden, wandelden we een eindje tussen de gaten, spleten en bulten van de ijsmassa. Al het menselijke leek hier futiel. Dit is een pre-hemel en een pre-hel tegelijk, dacht ik. Iets zuivers, iets wat boven je macht gaat, iets wat je verbijstert, iets waardoor je wilt lachen en krijsen.

       Op de terugweg was ik volledig met mijn bestaan verzoend. Mochten de risico's uit die verklaring nog niet geweken zijn, dan had ik dit tenminste binnen.

____________________________________________________________________


20 september 2016

Het gebeurt niet vaak dat ik zonder woorden zit, maar in Alaska is het me regelmatig overkomen. Wat een landschap, wat een dierenleven, en wat een overweldigende belevenis om de meest noordelijke Amerikaanse staat met vrienden te doorkruisen.

       Ik begin maar met iets kleins; de lunch. Door de permafrost, de bevroren onderlaag, is een groot deel van Alaska niet geschikt voor landbouw. Veelteelt is er ook nauwelijks, al worden er hier en daar rendieren gefokt. Jagen gebeurt wel veel, maar om de wildstand te beschermen mag het geschoten vlees niet worden verhandeld. Bijna al het voedsel moet van ver worden aangevoerd, met als gevolg dat ook restaurants niet goedkoop zijn.

      Als vanzelf ontstond er tijdens onze rondreis een gewoonte die we tot op het laatst hebben behouden: een gesneden brood kopen, wat plakjes kaas, wat worteltjes en wat mandarijntjes, en daarmee 's middags een maaltijd improviseren. Soms zaten we op een houten bank, soms op een stel dikke stenen, en altijd was er wel iemand die zuchtend zei: 'Ik voel me goed'. En als niemand het zei, dan dachten we het wel. Aan het einde van een rit over een onverharde weg van 58 mijl vanwege de regen onder een afdak duiken, je capuchon strak om je hoofd. Daar je voorraad tevoorschijn halen en elkaar een boterham aanreiken, zorgzaam vragend: 'Heb jij genoeg gehad?' En dan verder over een voetbrug, je bagage voorttrekkend op een karretje, met onder je een rivier waarin zalmen tegen de stroom optorsen.

       De komende weken zal ik proberen woorden te vinden voor meer mooie momenten.

____________________________________________________________________


16 augustus 2016

Telkens als wij op zondagavond van onze woonwagen naar Amsterdam terugrijden, altijd via dezelfde route, een afstandje van zo'n twintig kilometer, moet ik aan een verhaal van Biesheuvel denken. In 'Een hachelijke oversteek' gaat een echtpaar ieder weekend naar hun bootje in de haven van Zierikzee, waar hij de zeebonk loopt uit te hangen en zij aan het kokkerellen slaat in de kombuis. Ze varen dan altijd naar de overkant van de Oosterschelde, anderhalve kilometer verderop, en daar blijft het bij. Onze weekenden in de woonwagen doen er wel een beetje aan denken, en als we op zondagavond tevreden naar huis terug tuffen komt het verhaal onveranderlijk in mijn gedachten, en onveranderlijk moet ik er dan weer om lachen.

        Maar morgen staat er iets serieuzers te beginnen. Zelf zouden we de mogelijkheden er bepaald niet voor hebben, maar goede vrienden nemen ons mee op een rondreis door Alaska, een gebied dat zij door en door kennen. De afgelopen weken heb ik pogingen gedaan de juiste outfit bij elkaar te scharrelen, alles in schutkleuren, want ik wil natuurlijk niet de aandacht van een beer trekken. Een beetje onzeker maakt het me allemaal wel, en vlak voor de Biesheuveliaanse terugreis van afgelopen zondag heb ik met enige weemoed deze foto gemaakt.

____________________________________________________________________


22 juli 2016

De laatste spullen uit het schrijvershuis in Veenhuizen hebben een plek gekregen in onze woonwagen ten zuiden van Amsterdam. Het geneert me een beetje om over zoiets te vertellen terwijl er zoveel gaande is in de wereld. Aan de andere kant: het gewone leven gaat ook door. En zo ben ik aan het schuiven geweest met een vaas namaakbloemen en een tafeltje dat in Veenhuizen was bedekt met een beschermende doek. Ze staan nu samen in de voormalige slaapkamer van onze wagen, nu meestal 'mijn kamer' genaamd.

        Toen een paar weken geleden een terugblik op het schrijvershuis verscheen in NRC-Handelsblad, hadden we dezelfde dag een website willen lanceren. Op het laatste moment bleek er een technisch probleem te zijn; ineens wilden de foto's niet meer als een diavoorstelling in elkaar overlopen. In dergelijke gevallen is het altijd het beste om te doen of het zo hoort, dus er is toen een sobere versie online gegaan. Hier is dan toch de site zoals hij was bedoeld: www.hollandssiberie.nl.

____________________________________________________________________


12 juli 2016

We hebben het schrijvershuis ontruimd. Na dagen van slepen, sjouwen, weggooien, weggeven en een enkel ding verkopen, waren alle elf ruimtes leeg en was ook ineens de ziel eruit. Met een bestelwagen vol overgebleven spullen zijn we van Veenhuizen naar Amsterdam gereden, en na een weekje van kreunen om de pijn in het lijf zijn we nu begonnen met iets leuks: ons buiten, een oude woonwagen die we de laatste jaren hadden verwaarloosd, verfraaien met de overblijfselen. Het gebloemde dekentje bedekt nu een slijtplek op de bank, het vaasje kleedt 's zomers de kachel aan en de foute kunststof orchideeën flankeren de engel in de erker.

       Het pronkstuk uit Veenhuizen is ook naar de woonwagen verplaatst: een kroonluchter, ooit in Amsterdam gevonden naast een vuilnisbak. Onverwachts heeft hij een extra dimensie gekregen, want doordat de wagen op verende poldergrond staat, bewegen de glazen elementjes voortdurend. Ze tinkelen en flonkeren, ze glinsteren en schommelen, het is een aanwinst.

____________________________________________________________________


20160630_NRC_schrijvershuis.pdf

30 juni 2016

Voor de NRC van vandaag heb ik een terugblik op het schrijvershuis in Veenhuizen mogen schrijven. De tekst staat in verkorte vorm op de nieuwe website www.hollandssiberie.nl, die vandaag online is gegaan. Het mag dan een beetje treurig zijn om het huis te ontruimen, virtueel is het in ieder geval allemaal vastgelegd. Straks, in het weekend, als we de laatste spullen het huis uit dragen, beginnen we te broeden op nieuwe plannen. Of nee, eerst gaan we onze trofeeën van de afgelopen dagen nog eens bekijken. Joep Van Ruiten schreef een mooi slotakkoord voor het Dagblad van het Noorden, ex-bewoonster Annie van Gansewinkel stuurde een lieve kaart, en van de medewerkers van boekhandel Daan Nijman kregen we behalve een kaart ook de nodige drank, waaronder een bierpakket van brouwerij Maallust. Iedereen die vriendelijkheid heeft betoond: hartelijke dank!

____________________________________________________________________


22 juni 2016

Bij mijn lezingen over de roman Hollands Siberië hoort een jurk, een jurk met kraanvogels, op het omslag van het boek staan er ook twee. Gisteren zag ik nog een paartje vliegen boven het Fochteloërveen, een romantisch gezicht. Helaas is er één probleem: bij de lezingen horen ook koekjes. Die eet ik nooit, wij hebben altijd alleen biscuitjes in huis, maar mijn gasten wil ik graag iets beters serveren, daarom zijn er in één klap vijf pakken chocolate chip cookies aangeschaft. Nu wil het geval dat de jurk nogal strak is en de koekjes nogal lekker, wat niet echt samengaat. Er bleek maar één oplossing te zijn: in de woonkamer van het huis waar de lezingen plaatsvinden, bevindt zich een meubelstuk waarin de hoofdpersoon van Hollands Siberië al in 1936 stiekem lekkernijen bewaarde. Daarin zitten nu de koekjes. Eén verschil: hij wist waar de sleutel lag. Nog één lezing te gaan, morgenavond, donderdag 23 juni, daarna hoop ik hem overhandigd te krijgen.

____________________________________________________________________


4 juni 2016

Hoog tijd dat ik weer eens vertel over het schrijvershuis in Veenhuizen. Na alle berichten over de voorgenomen sluiting zijn wij als beheerders door verschillende mensen benaderd die wilden helpen, waaronder een Drents Statenlid van de PvdA en een museumdirecteur. De laatste is zo vriendelijk geweest te gaan praten met de eigenaar van het huis, het Rijksvastgoedbedrijf. Er bleek geen oplossing te zijn. Tot er een bestemming voor het pand is gevonden, komen er anti-krakers in.

         Natuurlijk heb ik er wakker over gelegen. Wat heb ik nou toch fout gedaan? Een huis van het Rijk is van alle Nederlanders, daar wilde ik zoveel mogelijk mensen in laten delen. Was dat soms een te groot succes? En waarom heeft niemand mij dat open en eerlijk verteld? Ik verkeerde in de veronderstelling dat de relatie met het Rijksvastgoedbedrijf uitstekend was.

       Hoe het ook zij, intussen is er een ontwikkeling gaande waardoor we straks met minder spijt de sleutel inleveren. Sinds Veenhuizen bestaat, bijna tweehonderd jaar, wordt het groen er onderhouden door bewoners van de inrichtingen, tegenwoordig gevangenissen. Die regeling is nu afgeschaft, met gevolgen die in dit seizoen overduidelijk zijn. De oprijlaan zit vol onkruid, in de borders groeit gras en honderden boomzaden schieten wortel. De man op de foto is Jaap met een geleende kantenmaaier.

        Dit redden wij samen niet meer, dit wordt te gek voor twee vrijwilligertjes. Ook al had het schrijvershuis kunnen blijven, zonder gedetineerden gaat het niet.

____________________________________________________________________


23 mei 2016

Tijdens mijn vijftien maanden in Málaga heb ik de gelukkigste momenten beleefd op de fiets, eerst dankzij het leenfietsensysteem, later op een goedkope eigen fiets waar ik zo verliefd op werd, dat ik hem graag wilde meenemen naar Nederland. Op het vliegveld bleek hij door geen enkele scanner te passen, tot het uiteindelijk lukte in de kelder, samen met twee windhonden.

       Nu ik anderhalve maand terug ben in Amsterdam, maak ik op dezelfde fiets mijn ongelukkigste momenten mee. De stad is veranderd, snorscooters jakkeren over het fietspad. Toen er afgelopen vrijdag een man door rood licht fietste, moest hij vluchten voor optrekkende auto's en kwam tot stilstand tegen het eerste het beste object. En ja, dat object was ik. Snel zette ik mijn Spaanse rijwiel aan de rand van het fietspad, waar ik mijn pijnlijke onderbeen inspecteerde. Nadat ik ook nog de krassen op mijn frame had bekeken, zei ik ontredderd tegen de veroorzaker: 'Zou je zoiets alsjeblieft niet weer willen doen?' Intussen reden er twee andere fietsers voorbij. 'Hé, jij daar,' riepen ze tegen mij. 'Wegwezen, een beetje staan kletsen, ben je gek geworden?'

         Sinds mijn terugkomst ben ik al vaak uitgekafferd in het Amsterdamse verkeer, maar nog niet door mensen met het woord 'Handhaving' op hun rug, zeker niet nadat ik net was aangereden. Terwijl mijn scheenbeen steeds blauwer wordt, groeit ook mijn heimwee naar Málaga. Zodra ik mijn computer aanzet, staar ik naar mijn voormalige uitzicht.

____________________________________________________________________


20 april 2016

Na vijftien mooie maanden in Málaga – met korte onderbrekingen – hebben de twee ezeltjes hun bullen gepakt en zijn terug in Amsterdam. Vooralsnog bevalt het. In het Nederlands praten, vrienden ontmoeten, meer stilte op straat. Het boek over Málaga, verhalende non-fictie, ga ik hier afmaken. Op dit moment wil ik er nog niet al te veel over vertellen, maar het staat dichter bij mijn thematiek dan het zo lijkt, met – tipje van de sluier – een cruciale rol voor een gevangenis. In juni 2016 ga ik letterlijk terug naar mijn basis, dan verblijven we in het schrijvershuis in Veenhuizen, dat daarna moet worden opgeheven. Het wordt een speciale Hollands Siberië-maand, met voor het allerlaatst lezingen in de woonkamer en tot slot de lancering van een website, zodat het monumentale pand in ieder geval virtueel toegankelijk blijft. Zodra de ezels weer helemaal Nederlands zijn geworden, zal ik er meer over melden.

____________________________________________________________________


5 april 2016

Wim Brands. Met enige vertraging heeft het nieuws over zijn dood mij hier in Malaga bereikt. Wat een ellendig bericht! Mijn mooiste herinnering aan hem dateert uit het begin van de jaren negentig, toen Jaap en ik nog in onze houten woonwagen woonden. Nadat mijn eerste boek over de Roemeense Roma was verschenen, wilde Brands me graag komen interviewen voor de VPRO-radio. Maar hoe moesten we hem van de trein naar de woonwagen transporteren? Een rijbewijs hadden we niet, laat staan een auto, en het was te ver om te lopen.

       'Ik haal hem wel,' zei Jaap. Op de afgesproken tijd fietste hij naar het station, waar onze bezoeker met zijn opnameapparaat uit de trein stapte. 'Kom maar mee,' en samen wandelden ze naar de fietsenstalling. Daar haalde Jaap een grote tang uit zijn tas en begon het slot van een geparkeerde fiets los te breken.

        'Jullie doen dat altijd zo?' vroeg Wim, die zijn stem probeerde te laten klinken alsof hij het allemaal doodnormaal vond.

       'We zijn het sleuteltje kwijt,' zei Jaap. 'Het is de fiets van Mariët, die staat hier al een tijdje, jij mag erop.' Een halfuur later verschenen de heren bij de woonwagen, nog vol hilariteit om het misverstand.

       Twintig jaar later, in 2012, ben ik te gast geweest in zijn televisieprogramma Boeken. En ja hoor, hij wist het nog, hij begon er zelf over. Wanneer ik straks weer in Nederland ben - het verblijf in Malaga is bijna voorbij - zal ik hem speciaal in de woonwagen gaan gedenken.

____________________________________________________________________


23 maart 2016

Vanochtend is hier in Málaga een minuut stilte in acht genomen voor de slachtoffers van de aanslagen in Brussel. Wij zijn ervoor naar het dak gegaan van het gebouw waarin we een etage huren. Bij gebrek aan een balkon is het onze enige buitenruimte. Iedereen heeft er een eigen berghok en je kunt er je wasgoed drogen. Ik mag er graag even op een plastic stoeltje in de zon zitten, om daarna naar onze verdieping terug te keren met een idee voor het boek waaraan ik werk.

        Laatst hield ik weer zo'n excursie naar het dak, met als smoes dat ik bij het wasgoed moest kijken, toen de deur van andermans berghok openstond. In het onze liggen wat dozen en een afgedankt tafeltje, maar hier zag ik een ingenieus ingerichte minibibliotheek, verlicht door een sfeervolle lamp. De ene zijwand was van onderen tot boven bedekt met boeken, de wand er tegenover werd in beslag genomen door mappen. Ertussen stond een kleine, nog jonge vrouw gretig te lezen.

       Nadat ik aan ons wasgoed had gevoeld - nee, nog niet droog - liep ik terug. Had ik echt gezien wat ik gezien dacht te hebben? Ja, de schatkamer was er nog, en de vrouw stond er nog precies zo in. Toen ik haar aansprak, begon ze enthousiast te vertellen wat ze waar had neergezet en waarom. Veelbetekenend lachten we naar elkaar, we deelden nu een geheim.

        Het is vast een utopische gedachte, naïef misschien, maar soms denk ik dat terroristen geen terroristen zouden worden als ze van jongs af aan meer boeken hadden gelezen, en dan niet alleen dat ene boek. Een inspanning verrichten om je in een ander te verplaatsen, niet via beelden, maar via een weg waarvoor meer verbeeldingskracht nodig is. Lezen over iemand die huilt omdat een geliefde is vermoord, de pijn van die persoon voelen. Plannen smeden, en je dan, geschoold door de verhalen die je las, een voorstelling kunnen maken van de gevolgen. En dan beslissen: nee, ik doe het niet.

____________________________________________________________________


9 maart 2016

Terwijl ik nog steeds aan een nieuw boek werk in Malaga, waar de vuilnismannen al negen dagen in staking zijn, bekommert een dreamteam zich om de hygiëne in het schrijvershuis in Veenhuizen. De vorige bewoner was nog niet weg, of Aafke van der Leest had het wasgoed al opgehaald. De volgende dag heeft ze het schoon op het bed gedaan en hier en daar wat gestoft en gepoetst. Intussen waren mijn ouders in de weer met wc-rollen. Ik had ze ook gevraagd wat takken uit de tuin in een vaas te zetten voor de nieuwe bewoonster, maar ze mailden dat ze een bakje met voorjaarsbloemen gingen kopen.

      Gisteren belde mijn vader. Hij had op eigen initiatief een kaartje aan het bakje bevestigd. De tekst die hij erop had geschreven, luidde: 'Welkom in Veenhuizen, Mariët en Jaap.' En zou hij nog snel even naar het huis fietsen? Er was een probleem met de stofzuiger, misschien kon hij het op tijd oplossen. En daar scheurde het lid van het dreamteam alweer weg, zevenentachtig jaar, onmisbaar voor ons als afwezige beheerders.

        Intussen ziet het er in Malaga niet naar uit dat het conflict over het vuilnis snel wordt opgelost. Hier en daar is er geen doorkomen meer aan, en de geur die in de straten hangt lijkt ook niet echt op die van sinaasappelbloesem. Wel beleven scharrelaars gouden tijden: wij hebben een paar mooie Andalusische tegels gescoord.

____________________________________________________________________


29 februari 2016

Omgangsvormen, laten we het daar eens over hebben. In Nederland is het opgeheven vingertje gaandeweg een middelvinger geworden. Ik durf bijna geen nieuwe Facebookvrienden aan te nemen, uit angst dat er weer scheldtypes tussen zitten. Op het moment heb ik driehonderd verzoeken staan, ik moet er nodig naar kijken.

         Nu ik in Malaga woon, heb ik gemerkt hoe Nederlands ik ook zelf ben. Het heeft minstens vier maanden gekost om van mijn korte lontje af te komen. Als iemand op straat me per ongeluk aanstootte, dacht ik in het begin al snel dat het expres was, maar telkens keek ik dan in een onmetelijk vriendelijk en verontschuldigend gezicht. Als ik tussen de wandelaars door fiets, wat bij gebrek aan fietspaden regelmatig gebeurt, is er nog nooit iemand boos op me geworden.

         Hoe diep de voorkomendheid hier zit, heb ik gemerkt in de supermarkt van El Corte Inglés, een groot warenhuis. Ik wilde het etiket lezen van een product, maar dat stond zo dicht bij een detectiepoortje dat er telkens een irritante piep klonk. Toen ik uiteindelijk ging betalen, het was tijdens de eerste maanden van ons verblijf, zei ik in het Spaans tegen de caissière, op een toon waarop alleen iemand vers uit Amsterdam dat kan: 'Lekker handig zeg, zo dicht bij dat poortje.'

        Blij keek ze naar me op. 'Ja, handig hè?'

____________________________________________________________________


24 februari 2016

Dagelijks lezen wij hier in Malaga het regionale dagblad Sur, een prima bron van informatie, ook voor het boek waaraan ik werk. Regelmatig zit er iets extra's bij de krant. Zo hebben we voor 10 cent per stuk een serie oude foto's van de stad verzameld. Aan de kinderen wordt ook gedacht; op het moment heeft Sur iedere zaterdag een boerderijdier in de aanbieding. Laatst waren het er zelfs twee: een ezelin met haar veulen.

       Aangezien ik een groot ezelliefhebber ben – ooit bezaten wij echte – kon ik de kans niet laten lopen. De plastic aanwinsten kwamen op de salontafel terecht, waar ze mooi afstaken tegen het licht van het raam. Al snel begonnen de dieren onze stemming uit te beelden. Ze namen als vanzelf posities in. Soms stonden ze erbij alsof ze graag de wei in wilden, soms zochten ze troost bij elkaar, soms keken ze peinzend over de tafelrand en ze zijn ook al eens elk naar een hoek gelopen, bokkig van elkaar afgekeerd, niet bereid om met hun lange oren ook maar één balkje van de ander op te vangen.

       Deze foto toont de stand van zaken vandaag. En nee, we weten niet wie wie is.

____________________________________________________________________


9 februari 2016

Gamel Woolsey was een Amerikaanse schrijfster die in 1931 haar eerste dichtbundel publiceerde. Haar eerste roman stond gepland voor het jaar erna, maar vanwege de erotische passages zag de uitgever er op het laatste moment van af.

       Samen met de Engelsman Gerald Brenan verhuisde Gamel Woolsey naar Churriana, een dorp vlakbij Malaga. Toen de Spaanse burgeroorlog uitbrak, werden de twee gedwongen naar Engeland terug te gaan, waar zij in 1939 een boek over haar ervaringen publiceerde, Death's Other Kingdom. Ik heb het twee keer gelezen, het is zowel wijs als interessant. In een mooie, persoonlijke stijl geeft ze inzicht in de extreme gebeurtenissen van die tijd.

     Gerald Brenan had ook schrijfaspiraties. Pas in 1943 lukte het hem om een boek uitgegeven te krijgen. The Spanish Labyrinth ging op een veel theoretischer manier over de burgeroorlog. Het verscheen op het juiste moment en werd een bestseller. Andere non-fictie volgde. Voor Gamel was geen aandacht meer.  

      Het huis in Churriana is nu een museum. Het draagt alleen Brenans naam. Toen ik ernaartoe ging, vroeg ik de secretaresse die me binnenliet wat er met de tuin was gebeurd. In Death's Other Kingdom komt dit lustoord voortdurend terug, maar de secretaresse wist niet eens dat het huis een tuin had gehad.

       Na haar dood werd de roman van Gamel Woolsey alsnog gepubliceerd, evenals een aantal gedichten. Ze ligt naast haar man op de Engelse begraafplaats van Malaga. Alleen hij, literair minder begaafd, is daar een escritor ofwel schrijver. Eerlijk gezegd maakt mij dat razend.

____________________________________________________________________


25 januari 2016

Het verhaal gaat rond in Malaga dat ik me vannacht enórm heb liggen krabben. En dat komt zo. Toen we ons flatje huurden, stond er een veel te klein bed. De eigenaar was zo vriendelijk in een beter exemplaar te investeren, en zo hebben wij de eerste tien maanden op een weliswaar groot, maar ook veel te hard bed geslapen. Uit erkentelijkheid durfden we er niets aan te doen, maar uiteindelijk is er een extra laag schuimplastic aangeschaft en rechtstandig naar huis getransporteerd.

       Vannacht lag ik er diep op te slapen, toen mijn bedgenoot me waarschuwde. Ik werd wakker en het hele huis was in beweging. Het bed schudde, stoelen trilden, scharnieren knarsten, een kettinkje ging heen en weer, droge tikken klonken in de muren. Er was een aardbeving aan de gang. Na een paar minuten kwam de volgende, die minder heftig was.

       Alles is nu oké, er is niets meer aan de hand, behalve dan dat verhaal dat rondgaat. Degene die het op gang heeft gebracht, heeft morgen en overmorgen examen Spaans. Haalt hij de toets taalvaardigheid niet, dan krijgt hij geen diploma. En dus is hij aan het oefenen geslagen in de stad. Bij de krantenman, op de markt, tegen wie dan ook: 'Wat een aardbeving, hè? Ik werd vannacht wakker en toen dacht ik dat mijn vrouw...'

____________________________________________________________________


21 januari 2016

Toen mijn eerste boek over de Roemeense Roma verscheen, was Sonja Barend nog op de televisie. Na een lang voorgesprek, bijna een examen, besloot de redactie mij toch maar niet als gast te nemen. Ik had namelijk geschreven over de baby's die me door arme Roma te koop waren aangeboden. "Als dat waar is, willen wij dat niet in onze uitzending hebben."

      Inmiddels is de mentaliteit in Nederland diametraal veranderd. Het aantal mensen dat alleen de mooie verhalen wil verspreiden, lijkt een stuk kleiner dan het aantal mensen dat vervuld is van haat. Beide menstypes beoordelen anderen als groep, en als gevolg van mijn ervaringen met Roma vind ik dat een verkeerde houding. Ieder mens is in de eerste plaats een individu. Maar als een individu iets uithaalt wat mij niet zint, dan zal ik dat niet verhullen.

     Sinds een week ben ik weer in Malaga. In Spanje hoor je relatief weinig over vluchtelingen, wat voor een tijdje wel rustgevend is. Natuurlijk maakten we de dag na terugkomst een ronde door de binnenstad. Bij het Ateneo, een cultureel instituut, zag ik dat er graffiti op de eeuwenoude toegangsdeur was gespoten. Nog geprikkeld door alle Nederlandse emoties riep ik uit: "Welke idioot heeft dát nu weer gedaan! Precies middenop!"

       "Kijk eens naar boven?" hoorde ik naast me. Ik deed het. Hoog in de lucht hing over het smalle straatje een draad. De zon scheen door een vergeten kerstster.

____________________________________________________________________


23 december 2015

Conversatie op de afdeling “Spaans voor buitenlanders” van de gemeentelijke talenschool in Malaga. “Wat ga jij doen in de kerstvakantie?”

       “Nou, ik ga met Mariët een paar weken naar Nederland. En jij?”

      “Ik ben orthodox, wij vieren kerst pas op 7 januari, in het kerkgebouw dat we hier in Malaga iedere zondag drie uur afhuren. Mijn zoontje gaat doordeweeks naar een Spaanse school en op zaterdagochtend naar een orthodoxe.”

     Russen, Oekraïners en mensen van allerlei andere nationaliteiten die in Spanje een nieuw leven proberen op te bouwen, cultiveren hun eigen geloof, iets wat ze in het land waar ze vandaan komen misschien niet eens zouden doen. Ik begrijp dat wel. Het is echt niet makkelijk om ver van huis te gaan wonen. Voor mij is het maar tijdelijk, toch herken ik de onzekerheid en het isolement. Een paar jaar geleden heb ik het in Amerika meegemaakt bij geëmigreerde Nederlanders. Hun kerkgemeenschappen bleken niet alleen om het geloof te draaien, maar ook om relaties, houvast, behoud van de eigen cultuur.

      Vanaf 9 januari ga ik nog eenmaal terug naar Malaga, de stad waar het leven wordt gevierd als nergens anders. Ik hoop dat het zal lukken het laatste materiaal te verzamelen voor een nieuw boek. Op de talenschool wordt het ook nog spannend: daar beginnen straks de examens voor orthodoxen, katholieken, anglicanen, moslims, joden, protestanten, boeddhisten en zelfs voor degenen die ondanks alles ongelovig zijn gebleven.

____________________________________________________________________


14 december 2015

Wanneer ik in Nederland de "covers" van tijdschriften zie, valt me telkens het grote aantal Engelse woorden op. In Spanje beheerst bijna niemand een vreemde taal, dus als het eens onvermijdelijk is een buitenlandse term te gebruiken, wordt die fonetisch verspaanst. Mensen communiceren via "wasap", ze spelen "béisbol" en ondergaan een "baipás"operatie.

         De laatste tijd zag ik hier in Malaga in het sportkatern van de krant steeds het woord "jeque” opduiken. Ik sla die pagina's altijd over en dacht: zal wel de een of andere Tsjech zijn. Maar nu moest Malaga laatst voetballen tegen Granada, een belangrijke wedstrijd. Vanuit ons huis hoorden we eerst tweemaal waanzinnig gebrul, daarna bleef het lange tijd zeer stil. De volgende dag bleek het niet goed afgelopen te zijn, het was gelijkspel geworden. Weer viel het woord "jeque", het was allemaal zijn schuld. De gemeenteraad stemde er zelfs over, met als uitkomst dat de naam van de "jeque" moest worden weggehaald van de rotonde die nog maar een jaar geleden door de vorige gemeenteraad naar hem was vernoemd.

       "Jeque" betekent "sjeik". Hij is de eigenaar van voetbalclub Malaga. Vanuit Qatar heeft hij laten weten dat hij zich gekwetst voelt. Toen ik eens even bij de rotonde ging kijken, stond het bord met zijn naam er nog op. Er stond ook iets anders: passende kerstdecoratie. Ben benieuwd of ook die zal worden verwijderd.

____________________________________________________________________



27 november 2015

Ik heb tegenwoordig een direct lijntje naar het paradijs. En nee, dat is niet het paradijs waar tweeënzeventig maagden wijdbeens op jonge terroristen liggen te wachten. De aanslagen in Parijs zijn hier in Málaga overigens ook hard aangekomen, de mensen hebben bloemen gelegd op de meest Franse plek die ze konden bedenken, maar ik heb niet de indruk dat iemand zijn gedrag heeft aangepast of zijn dagen doorbrengt in angst.

        Enfin, dat lijntje naar het paradijs. Met een vertraging van dertig jaar is de biologische teelt van groenten en fruit in Spanje op gang gekomen. Na een tijd klant te zijn geweest bij een winkeltje dat vroeger in Nederland waarschijnlijk "De paardenbloem "of "De pastinaak" geheten zou hebben, hebben we ons aangemeld bij een collectief van tweeëntwintig biologische telers uit de buurt. Iedere woensdag wordt nu onze bestelling aan huis bezorgd, en het is waarachtig alsof de artisjokken, sinaasappels, bananen en kiwi's door Adam en Eva persoonlijk zijn geplukt.

       Wat mij betreft kan het hemelse paradijs worden afgeschaft en gaan we op aarde streven naar het allerbeste. Daar hoort ook landbouw bij die zo weinig mogelijk vervuilt. Drie stappen vooruit, twee stappen achteruit, in de loop van de geschiedenis is de mensheid al een aardig eind gekomen.

____________________________________________________________


12 november 2015

Iedere ochtend om kwart over elf komt 'mijn halve sinaasappel' terug uit de gemeentelijke talenschool van Málaga. De uitdrukking 'mijn halve sinaasappel' heb ik geleerd uit 'Vrouw Vandaag', een wekelijkse bijlage van het regionale dagblad. Veel jonge vrouwen die daarin aan het woord komen, zijn ernaar op zoek.

        Mijn halve sinaasappel leest ook kranten en praat met Spanjaarden, zodat hij naar de derde klas van de talenschool mocht. Daar leert hij nu de verleden tijd, wat handig is als er steeds meer verleden tijd in je eigen leven komt.

    Voor mij is het interessant om de verhalen te horen. Een heel aantal medeleerlingen komt uit gebieden die aan Rusland grenzen, een deel leidt een illegaal leven. De meesten zijn Oekraïners, van huis vertrokken vanwege de gespannen situatie. Er is een ex-bankdirecteur bij, nu zonder baan. Sommigen overleven op het pensioentje van hun moeder of doen schoonmaakwerk.

       Af en toe ontstaat er discussie in de klas, bijvoorbeeld toen een groepje een Spaanse omschrijving van een beroemdheid moest maken. Een Russische stelde voor om Poetin te nemen. Twee Oekraïense vrouwen wendden zich vol afschuw af. 'Laten we toch het maar doen,' zei halve sinaasappel en bedacht als karakteristiek voor deze beroemdheid: "Hij is klein, hij is lelijk". De Russische stoof op: "Hij is juist heel mooi! Hij wil de wereld redden!"

        Op de foto twee helften van een granaatappel.

____________________________________________________________________


19 oktober 2015

Na een korte, maar intensieve periode in Nederland ben ik terug in Málaga. Het is best ingewikkeld om in twee werelden te leven. Als ik vroeger op reis was, begon ik vaak al snel in de taal te denken van het land waar ik verbleef. In bed lag ik dan in stilte hele monologen te houden. Ditmaal is dat anders, en dat heeft te maken met het internet. Het is handig, zeker, maar tegelijkertijd vind ik het een last. Mijn lichaam mag zich dan wel in het buitenland bevinden, mijn hersens blijven kwesties van thuis oplossen. Hier in Spanje hou ik in bed geen kunstige monologen, maar ik componeer alvast mijn Nederlandse e-mails voor de volgende dag. Vluchtelingen die elders een nieuw leven willen opbouwen, zou ik dan ook aanraden al die mooie smartphones zo weinig mogelijk te gebruiken. Even op Facebook kijken om de eenzaamheid te verdrijven, 's ochtends en 's avonds je digitale post doornemen, dat wel. Soms is er namelijk iets bij wat je dag verlicht. Gisteren was het voor mij deze column uit het Dagblad van het Noorden.

____________________________________________________________________


29 september 2015

Ik heb het van horen zeggen, want zelf beweer ik geen tijd te hebben voor het verbeteren van mijn Spaans op de EOI van Málaga, de officiële talenschool. Degene met wie ik mijn leven deel is een moediger mens, en zo is hij vanochtend weer met zijn boekentasje naar de les gegaan. Iedere dag zit hij twee uur op een stoeltje dat veel te klein is voor zijn lijf van 1.90 m., bij een juf die geen idee heeft dat ze minstens vijftien jaar later is geboren. Hij noemt haar 'u' en 'mevrouw', zij noemt hem 'jij', zoals ze dat doet bij al haar leerlingen.

        Laatst wilde hij haar iets gaan vragen in het lokaal waar ze net een andere klas les had gegeven. Ze stond er geagiteerd met iemand te praten - de docenten van de talenschool zijn overbelast -, toen ze ineens een zinnetje invoegde: 'Wie wil voor mij het bord schoonmaken?' Meteen draaide ze zich om en duwde de dichtstbijzijnde persoon de borstel in de hand.

        En daar stond hij dan, de 1.90 m. lange Nederlander, ijverig het schoolbord voor de juf schoonvegend. We hebben het uitgerekend: de laatste keer was zesenveertig jaar geleden.

____________________________________________________________________


8 september 2015

In Malaga is het goed toeven, maar de stad heeft ook een ander gezicht. Wij huren een goedkope flat in een volksbuurt, vanuit het raam zien we dagelijks een sociaal drama voorbijtrekken. Laatst liepen we naar het uitgiftepunt van leenfietsen, toen ik drie jochies in korte broek aan de fietsen zag rukken. De kleinste was een jaar of zeven, de grootste misschien dertien. 'Hé hé, hou daar eens even mee op,' riep ik van een afstand.

    Toen ik bij ze was, keken ze naar me op met een totaal andere blik dan ik had verwacht. Ze waren blij, blij met de aandacht. In een flits besloot ik dat er een andere aanpak nodig was. 'Wie van jullie wil mij helpen?' Meteen begonnen ze 'ikke, ikke' te roepen, en ik gaf mijn pasje aan de kleinste, het risico nemend dat hij ermee vandoor zou gaan. Op zijn blote buik zag ik een tatoeage van een kreeft, rafelig doordat het beest de groei van het kindervel niet kon bijhouden.

       Ik liet het joch zien hoe hij het pasje boven het display moest houden, maar hij trok het te snel terug en er verscheen een tekst die aangaf dat ik al een fiets in gebruik had. Daarna probeerden we het samen bij de andere fietspalen, maar nee. Opgewonden dat ze konden helpen, gingen de drie ons voor naar het uitgiftepunt verderop, af en toe achteromkijkend om te zien of we nog wel volgden.

      Maar ook bij het punt verderop zeiden de displays dat ik al een fiets had. De jongetjes verloren hun interesse en begonnen weer te proberen om fietsen los te rukken. Terug in een meer voor de hand liggende rol zei ik: 'Hou daar mee op, dat is stelen.'

     'Thuis hebben wij al twee van die fietsen,' pochte de oudste. 'Dus het is geen stelen. Als we willen, zetten we ze zo weer terug.'

____________________________________________________________________


22 augustus 2015

Zonder Andalusië was het voortbestaan van de Nederlandse monarchie twijfelachtig geweest; Maxima en W.A. hebben elkaar tijdens de Feria van Sevilla ontmoet.

      Nu er hier in Malaga acht dagen Feria wordt gevierd, moet ik daar telkens even aan denken. Op de eerste dag voelde ik me enorm W.A. Ik verwachtte kilometers en kilometers te moeten lopen, dus ik droeg sneakers en een broek. De stad bleek vol mensen te zijn, die als ergens muziek klonk - en er klonk overal muziek - verdraaid los in de heupen waren. Dansend werden ze allemaal op slag elegant. Pas toen een oudere man mij met een buiging een waaier cadeau deed, begon ik me een tikje minder Nederlands te voelen.

       De volgende dag droeg ik weer platte, maar wel betere schoenen en wapperde mezelf met de waaier koelte toe, maar het W.A.-gevoel hield aan. Dag drie werd een dag van waaier, hakken en jurk, op dag vier kreeg ik bij een flamenco-concert een bloem in mijn haar gestoken, en zo werd dag vijf er eentje van waaier, hakken, jurk en bloem.

      Nu sta ik klaar voor de laatste dag van de Feria van Malaga. Waaier, hakken, jurk, bloem en ook nog oorbellen. Waarschijnlijk is dat het wat Nederlanders zo trekt in de Spaanstalige wereld: zelfs wij worden er een heel klein beetje Maxima.

____________________________________________________________________


28 juli 2015

In Spanje kan ik dit shirt niet aan, de tekst wordt er te serieus genomen. In Nederland is het vooral geschikt voor gezelschap dat bekend is met het fenomeen 'ironie'. Meestal zijn dat schrijvers.

     Ik moest eraan denken toen we laatst Puerto Banús bezochten, een jachthaven bij Marbella. Na het bezichtigen van een reeks gladde witte boten waarop het stomvervelend toeven moet zijn, wandelden we over een winkelpromenade. Vakantievierende Arabieren schijnen er dagelijks duizend euro per persoon te besteden.

      'Zullen we Miljonair Fairtje gaan spelen?' vroeg ik mijn geliefde, met wie ik ooit op vrijkaartjes naar de Miljonair Fair in Amsterdam ben geweest. Onmiddellijk waren we in onze rol. Hij zette mijn strohoed op en ging drie meter achter me lopen, als bodyguard alias man-met-portemonnee. Ik gooide mijn haren los, hief mijn kin, trok een belangrijk gezicht en veranderde mijn manier van lopen.

       Het effect was verbluffend. Na een minuut Miljonair Fairtje spelen, kwamen we langs een zaak vol goud en diamanten. Een verkoopster die in de deuropening stond, riep me in het Engels na: 'Mag ik u een compliment geven over uw 'gorgeous outfit'?'

'Bedankt,' riep ik over mijn schouder, en dat moet het moment zijn geweest dat ik aan het shirt dacht. Miljonair Fairtje spelen loont. De gorgeous outfit was een uitverkoopje van enkele tientjes.

____________________________________________________________________


20 juli 2015

Van alle kanten zie je in Málaga mensen met een tas op wieltjes naar het middelpunt van een cirkel trekken, waar zich een heiligdom bevindt: de supermarkt. Jong, oud, man, vrouw, rijk, arm, hip of klassiek: iedereen doet het. Er hoort een speciaal loopje bij, een doelbewuste pas; tenslotte ben je op weg naar spullen die je helpen bij het overleven.

       In het begin hebben wij ons gered met tassen, zakken en een koffertje, tot we besloten op zoek te gaan naar een andere winkel. Hoeveel heerlijk voedsel er ook in de Spaanse supermarkt te koop ligt, het is wel allemaal bespoten. In Nederland eten we al decennia voornamelijk biologische producten, misschien was er in Málaga ook ergens een ekowinkel. Die vonden we inderdaad, maar wel heuvelopwaarts, zodat er toch een officiële boodschappentas op wieltjes werd aangeschaft.

      Terwijl we hem voor het eerst gebruikten en er heuvelafwaarts mee liepen, blij met de onbespoten oogst, waaronder aaizachte perziken en verse, van rijpheid openbarstende vijgen, viel me halverwege iets op. Niemand keek naar ons. Zelfs onze lengte leek ineens niet meer op te vallen. Toen een man ons staande hield om de weg te vragen, wist ik het zeker: nu beginnen we erbij te horen.

____________________________________________________________________


8 juli 2015

De wereld bulkt van de problemen en ze gaan mij allemaal aan het hart. Maar soms kom je in je eigen omgeving iets tegen. Wij wonen in Malaga in de buurt van een bron uit 1790, een natuurstenen bak met twee mooie hoofden erboven waaruit het water komt. Na een artikel in de regionale krant over dit monument, dat werd geplaagd door graffiti en algeheel verval, besloot de gemeente er 27.000 euro voor vrij te maken. Met genoegen volgden wij de vorderingen van de renovatie. Die was afgelopen vrijdag klaar. De twee hoofden hadden een goudkleurige tuit in de mond gekregen, waarvan op zaterdag al druk gebruik werd gemaakt. Sommige mensen kwamen aanzetten met een kofferbak vol plastic flessen.

     Op zondagochtend liepen we langs de bron. Wat!!! De goudkleurige tuiten waren verdwenen. Gestolen natuurlijk. Wat een ratten. Is er eens iets waarover iedereen blij is, wordt het meteen weer verpest.

      Op maandagmiddag, de tuiten ontbraken nog steeds, mailde mijn man Jaap de krant waarin we over de renovatie hadden gelezen. 's Avonds werd hij al gebeld: mocht zijn naam in een artikel worden genoemd? 'O best hoor,' en daarmee eindigde het telefoongesprek. Meteen daarna begonnen voor ons uren van twijfel en onzekerheid. Zouden de tuiten soms door het renovatiebedrijf zijn weggehaald? Misschien zaten ze nog niet helemaal goed, misschien wilde het beton niet harden waarmee de gaten waren afgesmeerd. Waar bemoeiden wij ons eigenlijk mee? Bovendien: er is zoveel belangrijkers gaande.

      Vandaag staat Jaap in Malaga in de krant. Wie weet volgt er morgen een rectificatie. 'Die Nederlander had het fout, de monden horen zo.' Dat wordt weer lachen.

____________________________________________________________________


23 juni 2015

Wij huren in Malaga een eenvoudige flat, van waaruit ik materiaal voor een nieuw boek verzamel. Natuurlijk zijn we ons meteen gaan voorstellen bij de buren. De ene bleek een Andalusiër met één voortand te zijn, een wat oudere man die nu telkens zorgzaam informeert of het nog goed met ons gaat.

     De andere deur werd opengedaan door een jonge vrouw in ochtendjas. Ze was Marokkaanse, vertelde ze, haar vriend kwam uit Oekraïne. Hierna hebben we haar niet meer gezien. Haar vriend loopt wel regelmatig buiten. Hij is jong, kaal en heeft - hoe zal ik het eens zeggen - andere spieren getraind dan zijn lachspieren. Hij groet nooit. Toch doet zijn stem het wel, wat hij in het weekend, midden op de dag, als in de hele buurt de ramen openstaan, al diverse keren heeft laten horen. Kennelijk mag het paar zich om beurten uitleven, want soms is zij het die bepaalde geluiden produceert, ook in het weekend, ook overdag, ook bij het open raam. Deze toestand heeft één voordeel: ónze lachspieren worden wel getraind. Waarschijnlijk hebben ze dat gemerkt; inmiddels lijkt de pret over te zijn.

      De foto heb ik overigens gemaakt op een plek waar je dat het minst verwacht: in het bisschoppelijk paleis van Malaga.

____________________________________________________________________


18 mei 2015

Macedonië! Ik kom er graag. De eerste keer was in 2002, toen ik naar een schrijverscongres aan het meer van Ohrid mocht. De toenmalige president van het land, Boris Trajkovski, onderhield zich daar met enkele deelnemers. Ook ik kwam met hem in gesprek, hij leek me een deugende figuur. Hij was methodist, waardoor hij niets te maken had met de tegenstellingen tussen orthodoxen en moslims. Nadat de president was doorgelopen naar een volgende deelnemer, kwam een lijfwacht me een gesigneerde foto van hem brengen. De anderen kregen niets, ik herinner me hun hilariteit. Sinds Trajkovski anderhalf jaar erna omkwam bij een vliegtuigongeluk, heeft de foto een tragische lading gekregen. Hij staat nog steeds in mijn boekenkast.

       Later, toen ik samen met Jaap de Ruig een reis van een jaar door Europa maakte, met tussenstops op vijfentwintig plekken waar we zijn films vertoonden, regelden Macedonische vrienden een voorstelling in Skopje. Wat nergens in Europa gebeurde, gebeurde hier wel: we kregen een verblijf in een hotel aangeboden. 'Normale gastvrijheid.' Toen Jaap het jaar erop een solotentoonstelling had in het Macedonische Museum of Modern Art, werden we weer ondergebracht in een aangenaam hotel. Na afloop regelde het museum zelfs een chauffeur die ons naar de volgende bestemming bracht, in Bulgarije.

      Macedonië is ook het land waar etnische verschillen geïllustreerd worden door een rivier die de Slavische en de Albanese wijk van Skopje van elkaar scheidt. Om de Albanezen, veelal moslims, het verschil nog eens in te peperen, hebben ze uitzicht op een berg met een enorm kruisbeeld. Tegelijkertijd is de omgang van niet-Roma met Roma in Macedonië veel meer ontspannen dan waar dan ook. In de stad Shutka, vlakbij Skopje, zijn Roma in de meerderheid. De burgemeester is ook een Rom. Je hoort er vrijwel nooit iets over; het loopt namelijk lekker in Shutka.

     Laten we hopen dat de demonstraties in Macedonië tot iets goeds leiden. Boris Trajkovski had daar een rol bij kunnen spelen.

____________________________________________________________________


28 april 2015

Kan iemand even regelen dat mijn dagen achtenveertig uur gaan tellen? En dan vooral in het weekend?

      Op het moment bevind ik me in Malaga, en natuurlijk werk ik daar net zo hard als altijd. Lang leve de laptop en het internet! In het weekend probeer ik zoveel mogelijk mee te krijgen van wat de stad te bieden heeft, en allemachtig, wat is dat veel. Het groezelige Malaga dat tot voor kort vooral werd geassocieerd met bruinbakkende bejaarden, is een plaats geworden waar je helemaal gek kunt worden van wat er te beleven valt. Zo ben ik net naar het festival van de Spaanse film geweest, en ook heb ik de eerste buitenlandse vestiging van het Musée Pompidou bezocht, die een maand geleden is geopend onder een glazen kubus die door Daniel Buren is voorzien van kleur.

      'En hoe betaalt mevrouw dat allemaal?' Nou, door scherp financieel beleid. De kaartjes voor het filmfestival kostten 's ochtends maar de helft, het museum is op zondagmiddag gratis. Veel inwoners van Malaga hebben net als wij een beperkt budget, de voorzieningen voor hen zijn ook voordelig voor ons. Maar af en toe doen we duur, dan ontbijten we in een café, met koffie, verse jus en een broodje. De kosten van dat geheel? Drie euro.

____________________________________________________________________


4 februari 2015

Het is de stad Málaga gelukt een openbaar leenfietsensysteem op te zetten. Met een speciaal pasje kun je op tweeëntwintig plekken een fiets pakken en wegwezen. Het eerste halfuur is gratis, daarna rij je voor anderhalve cent per minuut. Helaas is het systeem nog niet helemaal volmaakt, de digitale palen waaraan de fietsen vastzitten gaan snel stuk. Verder kun je een rammelkast treffen, of het verstelbare zadel is lam; één van ons heeft al eens laag als een Easy Rider gezeten. Je kunt de geleende fiets ook niet zomaar ergens wegzetten, je bent gebonden aan de tweeëntwintig plekken, dus er moet nog aardig wat gelopen worden. En ja, gevaarloos is het evenmin, er is maar dertig kilometer fietspad, slechts 0,4 procent van het transport gaat in Málaga per fiets. Maar heb je je eenmaal op dat alles ingesteld, dan zweef je door de stad, je slalomt langs sinaasappelbomen en racet als een raket langs historische gebouwen. Lastig om niet keihard te gaan zingen.

____________________________________________________________________


30 december 2014

Een heerlijk boekje van Singel Uitgevers bij de post, over voormalig uitgever Theo Sontrop. Jaren geleden kwam hij bij me zitten tijdens een feest. Ik vertelde over de roman waaraan ik werkte, de eerste die zich afspeelde in de strafkolonie Veenhuizen. 'Dan heb ik iets bijzonders voor jou,' zei hij. 'Gekocht in een antiquariaat, een pakje brieven van gestichtsbewoners. Kom maar halen.'

     Enkele dagen daarna fietste ik op vleugels over de Keizersgracht, toen onverhoeds een geparkeerde auto achteruit reed. En zo kwam ik niet bij Theo Sontrop thuis, maar op de Eerste Hulp van het ziekenhuis terecht. Pas na uren, een verband om mijn knie, kon ik hem afbellen. We moesten maar opnieuw afspreken, zei hij. Een paar weken later zat ik dan toch in zijn grachtenappartement vol boeken, met tussen ons in een massief blok van tijdschriften waarmee de ruimte onder een glazen tafel was opgevuld. Sontrop praatte uren tegen me aan, tot hij fijntjes liet merken dat het tijd werd om te vertrekken. Over de brieven geen woord.

      Later informeerde ik er voorzichtig naar, via een vriend die ooit door hem was ontdekt als auteur. Sontrop bleek het kostbare stapeltje 'kwijt' te zijn. Kort daarop verhuisde hij naar Vlieland. Het litteken op mijn knie is het enige dat ik eraan heb overgehouden.

____________________________________________________________________


9 december 2014

Gisteren was ik me aan het opdoffen voor een officiële herdenking van de Roemeense revolutie, toen de telefoon ging. 'Met de Paardenkamp in Soest. Manoir is niet in orde, morgen komen de dierenarts en de hoefsmid.' De nette kleren gingen meteen weer uit en de herdenking was onbelangrijk geworden, want als de Paardenkamp belt, een moment dat we al tijden vrezen, is er echt iets aan de hand. Onderweg checkte ik of ik wel een zakdoek in mijn tas had. Manoir kwam in ons leven toen hij vijf was. Nu is hij zesendertig, dat is nogal wat. De laatste jaren krijgt hij in het Soester rusthuis voor paarden een vijfsterrenverzorging.

     Manoir stond op stal. Zijn zwarte hoofd grijzend, de rest van zijn vacht vreemd gekruld. Hij bleek de ziekte van Cushing te hebben, een gezwel in de hersenen dat tot problemen in de hoeven kan leiden, zodat lopen lastig wordt. Kwijnend zag hij er niet uit, hij had zijn dagelijkse pijnstiller achter de kiezen, maar 'florissant' was het woord evenmin. Een medewerkster vertelde dat er vandaag foto's zouden worden gemaakt, 'met vier mensen gaan we met hem bezig.'

    De zakdoek had ik niet nodig. Het is interessant hoe zoiets werkt. In je verbeelding sta je als een gek te snikken, eenmaal geconfronteerd met de realiteit begrijp je in een paar seconden dat het goed is zo. Waarom een dier laten lijden dat in zulke prettige omstandigheden zo oud heeft mogen worden, in mensenjaren wel negentig?

   Vanmiddag belde de Paardenkamp weer. De dierenarts en de hoefsmid willen toch verder met Manoir. Hij heeft sportschoenen aangemeten gekregen, speciale ijzers met een verend laagje. Zelf zouden we zo'n VIP-behandeling nooit kunnen betalen, dus: begunstigers van de Paardenkamp, bedankt!


Naschrift 30 december: de sportschoenen bleken niet voldoende te helpen. Gisteren is er op de Paardenkamp een einde aan het leven van Manoir gekomen.

____________________________________________________________________


8 november 2014

Als je thuis werkt en je woont driehoog in Amsterdam, moet je jezelf af en toe uitlaten. 'Zullen we nog even naar buiten gaan?' En zo liepen wij 's avonds laat wat boodschappen te doen, de supermarkt is tot tien uur open. Op de terugweg zagen we een berg afval op de stoep. Erboven staken uit een prullenbak – klopte dit? – de voorpoten en de kop van een tijger. Elke dag maak ik minimaal één foto, en ik had nog steeds niets, dus ik schakelde de flits van mijn camera in en probeerde het beeld vast te leggen. Ineens hadden we een relatie met het dier, ineens begonnen we het zielig te vinden dat hij in dat gat was gepropt, groot als hij was, gaaf als hij was, zacht als hij was. En zo mocht hij onder de arm mee naar huis. Daar bracht ik voorzichtig mijn neus naar zijn vacht en rook eraan: geurloos. Voor de zekerheid ging hij toch in bad. Toen hij al een tijdje lag uit te druipen op de vloer van de douche en ik de badkamer weer binnenstapte, in gedachten bij iets anders, kreeg ik bijna een hartaanval. Nu hebben we de tijger maar op het droogrek gelegd. Ondanks zijn formaat doet hij me denken aan onze overleden kat. Ik vrees dat hij binnenkort een naam zal krijgen.

____________________________________________________________________


3 november 2014

'Waarom moet jij nou altijd ergens staan waar ik ook ben?' We zijn terug in Amsterdam, op een etage die in zijn geheel net zo groot is als alleen de woonkamer van het schrijvershuis in Veenhuizen, een voormalige pastorie waar ook mijn roman 'Hollands Siberië' zich afspeelt. Tijdens de maand oktober heb ik er groepjes lezers ontvangen, die ik meenam door het verhaal van het boek aan de hand van een rondgang van kelder tot zolder. Weer thuis op vijftig vierkante meter in Amsterdam kost het een paar dagen om te leren hoe twee lange lichamen langs elkaar kunnen manoeuvreren, hoe je van kamer naar keuken komt zonder je heup tegen de muur te stoten, wie ook alweer op welke plek mag zijn zonder de ander in de weg te zitten. Toch vind ik de afwisseling ideaal. Op dit moment ben ik liever in de stad, in februari hoop ik opnieuw lezers te ontvangen in Veenhuizen.

____________________________________________________________________


12 september 2014

Woeste, duizelig makende tijden. Gisteren de presentatie van 'Hollands Siberië'. Het radioprogramma EenVandaag wilde me van te voren interviewen, maar ik had geen tijd, ik moest op pad, naar Veenhuizen, naar het Nationaal Gevangenismuseum. Oplossing: er werd een technicus naar het schrijvershuis gestuurd, de voormalige pastorie. Net op tijd was de geïmproviseerde studio klaar en kon ik over mijn hoofdpersoon vertellen in dezelfde kamer waar hij in mijn verbeelding heeft gezeten.

____________________________________________________________________


25 juli 2014

Er werd gebeld, een postbezorger met een plat pak. Het was verstuurd door één van mijn dierbaarste informanten over Veenhuizen, een wilde, getalenteerde vrouw met donkerrood haar. Ze was volstrekt leeftijdsloos, maar moest de zeventig toch al zijn gepasseerd. Sinds kort wist ze dat er een agressieve tumor in haar hoofd zat, 'een kinderhand die zich tussen mijn hersens doorwringt'. Op de MRI-scan waren ook drie stippen op haar longen te zien. 'Dat zijn natuurlijk de anarchistenstippen die ik nooit heb durven zetten.'

       Ik liep met het pak naar de keuken om het te kunnen opensnijden. Er zaten foto's of documenten in, leek mij, maar al snel voelde ik een voorwerp, een hamertje? De vader van de afzendster werkte in de Veenhuizer strafgestichten, misschien had het daar iets mee te maken.

       Het hamertje zat in ondoorzichtig plastic. Ik wikkelde het eraf en schrok, er kwam een kruisbeeld met een uitgeteerde Jezus tevoorschijn. Een bijbehorend gedicht gaf uitleg. Ver voor de oorlog was er in Veenhuizen een 'verpleegde' overleden, een voormalige landloper die op zijn sterfbed dit kruis vasthield, zijn enige bezit. Na zijn dood nam een andere verpleegde het eerbiedig van hem af en overhandigde het aan de vader van de afzendster. 'Gij waart zo goed voor hem en ook voor ons.'

       Mijn informante is nu helaas in de anarchistenhemel. Het verhaal over het kruisbeeld heeft 'Hollands Siberië' niet gehaald, maar Jezus hangt wel bij ons thuis aan een spijker. Van hoog boven een deur houdt hij toezicht op alle werkzaamheden.

____________________________________________________________________


11 juni 2014

Er is ook nog wel eens goed nieuws over Roma.

       In 1990 leerden wij een Roemeense Rom uit een provinciestadje kennen, Ion Vasile. Hij kon niet aanzien dat de kinderen in zijn wijk niet naar school gingen, daarom verzamelde hij wat oude schoolbanken en zette ze in zijn woonkamer. Roma-kinderen van alle leeftijden meldden zich. Sommigen droegen geen schoenen, anderen hadden nog nooit een pen vastgehouden, maar 's ochtends om zeven uur bonsden ze al op de deur, zo graag wilden ze leren lezen en schrijven.

       Algauw werd de woonkamer te klein, er moest een gebouwtje komen. Het bleek niet moeilijk te zijn om er in Nederland geld voor te vinden. De school werd nu gehuisvest in een tweekamerwoning in dezelfde wijk. De aankooptransactie ging gepaard met de overhandiging van een plastic zak vol bankbiljetten.

      In het nieuwe schooltje meldden zich nog meer kinderen, er kwam personeel. Een aantal leerlingen stroomde door naar de officiële basisschool. Daar werd het nut van het Roma-schooltje ook ingezien, met als gevolg dat het werd ingelijfd in het Roemeense onderwijssysteem. Nederlandse bemoeienissen waren overbodig geworden, de leerkrachten kregen nu een staatssalaris. Het vijftienjarig jubileum in 2005 was een prachtige dag.

      En ja, het Roma-schooltje bestaat nog steeds. Het is een kleuterschool geworden. Vorige week zijn we er geweest, want één kwestie was nog steeds niet opgehelderd: van wie is het gebouw? Aan de plastic zak vol geld kwam destijds geen notaris te pas. Een ngo uit Zwitserland wil een opknapbeurt betalen, maar dan moet eerst de juridische status duidelijk zijn.

        Gezeten op mini-stoeltjes hebben we overlegd in de gang van de school. De oprichter was erbij, binnenkort wordt hij vijfenzestig. Zijn nicht, een energieke jonge vrouw die de jongste kleuters lesgeeft, was er ook. Onze beraadslagingen werden gevolgd door een oud-leerlinge die binnenkort naar de universiteit gaat. Intussen zag ik ouders hun kinderen brengen. Voor de duidelijkheid: al deze personen waren Roma ofwel zigeuners.

    De volgende generatie, het nichtje, gaat nu proberen alles te regelen en wordt stichtingsvoorzitter. De oprichter wordt benoemd tot ere-voorzitter. Of ik er zelf weer bij zal zijn weet ik niet, maar ik voorspel dat volgend jaar het eerste Roma-schooltje van Roemenië het vijfentwintigjarig bestaan zal vieren. Ik hoop dat het gebouw, dat een torentje heeft, dan vrolijk rood of geel gepleisterd zal zijn.

____________________________________________________________________


17 april 2014

Vandaag moest ik in Assen zijn, dus ik ben maar eens even in de Action gaan kijken. Tenslotte ben ik een schrijfster uit Amsterdam, net als mijn collega Yvonne Kroonenberg wilde ik 'die primitieve Drenten met hun uitdrukkingsloze ogen' wel eens zien. Het werd een teleurstelling. In de Action liepen alleen maar doodgewone mensen op zoek naar de gelukservaringen die ik zelf ook vaak in deze winkel heb gehad. Een mooie theepot voor bijna niks, luxe notitieboekjes voor een euro.

       Toen ik maar weer naar buiten ging, zag ik twee elektrische rolstoelen langs de stoep geparkeerd staan, allebei met een fluorescerend hesje over de rugleuning. De achterste rolstoel was leeg, in de voorste zat een man. Hébbes! In de hoop dat hij mij kon verstaan – Kroonenberg kwam hier figuren tegen 'voor wie taal niet het eerste vervoermiddel is om zich te uiten' – vroeg ik of hij misschien een foto van me wilde maken. De man antwoordde op mild-vriendelijke toon: 'Daar ga ik even voor staan.' Meteen begon hij zich uit de rolstoel omhoog te werken. Hij bleek een ziekte te hebben die zijn lichaam hevig deed trillen. Het vasthouden van de camera was lastig voor hem, laat staan het indrukken van het knopje, maar het lukte. Allebei keken we blij, we hadden iets voor elkaar betekend.

      In de trein terug naar Amsterdam bleef ik over Yvonne Kroonenberg nadenken. Welke werken had ze eigenlijk op haar naam staan? Ik ging het na op Wikipedia en las: 'Alle keerls wilt moar één ding' 1986, 'Alles went behalve 'n pens' 1989, 'Kan 'k um nog roel'n?' uit 1991 en zo ging het maar door. Eén van haar laatste titels bleek 'Wass'n in dun aanbiejing bi-j dun Aksjion?' te zijn uit 2009. Drenthe had teruggeslagen! Ik kopieerde alles en dat was maar goed ook, want twee minuten later was alles weg en waren de officiële titels terug.

____________________________________________________________________


9 april 2014

Als kind kwam ik graag in de smederij van mijn oom. Nu is hij gestorven, na een afgerond leven waarin hij het familiebedrijf overdroeg aan de vijfde generatie. Vlak voor de begrafenisdienst, we zaten in een monumentale oude kerk, liep een man naar voren en stroopte zijn mouwen op, iemand die op zijn vijftiende bij mijn oom was komen werken en die pas kortgeleden, na vijftig jaar, bij het bedrijf was gestopt. Hij trok handschoenen met kappen aan, pakte een hamer van een – ja, nu zag ik het pas, schuin onder de preekstoel stond een groot aambeeld uit de smidse. Terwijl het kerkorgel 'The harmonious blacksmith' van Georg Friedrich Händel inzette, begon de man ritmisch te hameren. Het aardse geluid verbond zich met de opwaarts gerichte muziek. Toen mijn tante en haar kinderen de kerk binnentraden, besefte ik dat ik iets onnavolgbaars meemaakte.

____________________________________________________________________


2 april 2014

Oud zijn is best lastig. Je vrienden gaan dood en je eigen lichaam krijgt ook kuren. Desondanks zitten mijn ouders – na een heel moeilijk jaar – toch weer in Portugal. Sinds januari reizen ze er rond in hun opgelapte kampeerbus. Een smartphone hebben ze niet, maar soms bellen ze vanuit een telefooncel. Ze vertellen dan regelmatig dat ze zijn herkend van vorige jaren. Vijfentachtig en drieëntachtig, zulke gypsies vallen wel op, zeker doordat ze het liefst niet op campings staan. Helaas is er nu in Nederland een dierbare overleden. Ze komen terug voor de begrafenis. 'Gewone' mensen zouden vast naar Nederland rijden en hier blijven, maar mijn ouders zijn niet gewoon, dus vrijdag halen we ze van Schiphol en maandag gaat hun retourvlucht alweer. Zwerven is hun vertrouwde staat-van-zijn, ze reizen door zolang het kan.

____________________________________________________________________


3 maart 2014

Op de picknickbank langs de Autobahn zat een engel. Verbaasd namen we bij hem plaats en begonnen aan onze maaltijd. 'Als hij er na het eten nog zit gaat hij met ons mee,' en zo gebeurde het, niemand eiste de engel op, we wikkelden hem in een handdoek en hij reisde in de bagageruimte naar Nederland. Nu staat hij in onze woonwagen. Voor mij is hij de muze van de schrijvers, schilders, filmers en alle anderen die proberen uit het niets iets te scheppen. Je doet godsgruwelijk je best, jarenlang ben je als een monnik bezig, en hoewel iedereen het mooi vindt wat je hebt gemaakt, bedenk je een tijdje later dat het toch nog beter had gekund. We zijn allemaal engelen met één arm. En toch blijven we trommelen. Als we twee armen hadden, zouden we misschien nooit meer iets nieuws willen maken.

____________________________________________________________________


25 feb 2014

Eerst was hij zwart, nu wordt hij wit. Hij was vijf toen we hem kochten, nu is hij zesendertig en woont in een tehuis voor bejaarde paarden. Ik ging altijd graag naar hem toe. Het gaf me een gevoel van continuïteit: ik mocht dan zelf veranderd zijn, hij bleef stoïcijns het verleden representeren. Maar zondag was alles ineens anders. Ik schrok: hij had wratten in zijn neus, warrige plekken haar op zijn hals. Nog urenlang ben ik ontdaan geweest, en toen ik vanavond de krant las en er een portret van Leo Vroman op de iPad verscheen, kwam dat gevoel terug. Het portret was als het ware een spiegel naar de toekomst, net zoals het veranderde paardenhoofd mijn verloren jeugd reflecteerde. Op zijn negentigste, want toen werd de foto van Leo Vroman gemaakt, had de nu overleden dichter minstens zoveel aangroeisels op zijn gezicht als ons paard, dat omgerekend in mensenjaren even oud is. Vroman, zo lees ik overal, is altijd speels gebleven. Ons paard wil er ook nog steeds op af zodra er een merrie in zijn buurt komt. Kennelijk kan de geest zo goed in het omhulsel verpakt zitten, dat alleen het omhulsel slijt.

____________________________________________________________________


7 feb 2014

Tussen de wielen van onze woonwagen hangt een bak van vijftig centimeter hoog. De man van wie we de wagen kochten, vertelde dat hij er als kind in sliep. Wij bergen er allerlei spullen in op, waaronder de kettingzaag, waarvan muizen eens het dopje hebben weggeknaagd. Ze dronken het reservoir met plantaardige smeerolie helemaal leeg. Nu is de kettingzaag na vijfentwintig jaar met een steekvlam aan zijn einde gekomen. We zijn van plan zo snel mogelijk een nieuwe te kopen, want ja, normále mensen hebben natuurlijk een ruime voorraad kachelhout, maar wij helaas niet. En bij normále mensen is het geen hout van veel te dikke wilgentakken, want normále mensen knotten hun boom op tijd. Nu ik weer drie dagen in alle rust in de wagen heb zitten schrijven, deed de kachel me wel eens aan het menselijk lichaam denken. Gooi je er wilg ofwel supermarktvoedsel in, dan doet hij het heel aardig. Maar het beste zou hij branden op eikenhout, alias groente, fruit, vis, noten en volkorengranen. In de praktijk wordt het toch vaak weer wilg, want ja, normále mensen etc.

____________________________________________________________________


14 jan 2014

Ook in Spanje maken schrijvers zich druk over het illegale downloaden van hun boeken. Javier Marías schreef er eind december over in zijn zondagse column in El País. Uit onderzoek is gebleken dat Spaanse bezitters van een e-reader gemiddeld slechts 0,6 keer per jaar een officieel e-boek kopen. Liggen al die e-readers dan alleen maar voor de sier in Spaanse woningen? Dat kan haast niet, schrijft Marías, dus hij vermoedt dat er in Spanje relatief veel illegaal gedownload wordt. Zo langzamerhand vraagt hij zich zelfs af of het nog wel verantwoord is om zich twee, drie jaar op te sluiten voor het schrijven van een roman.

         Eergisteren en vorige week verschenen in El País de eerste reacties van lezers. Niemand ontkende het illegale downloaden. Wel had iedereen zo zijn eigen redenen om het niet verwerpelijk te vinden. Downloader 1: 'Mijn vrienden en ik downloaden alleen boeken waarnaar we nieuwsgierig zijn, maar die we nooit zouden kopen. We downloaden boeken die we ergens anders niet kunnen vinden, of die nog in de boekenkast van onze ouders staan.' Hij noemde zelfs de titel van een roman van Javier Marías die hij uit geldgebrek illegaal had gedownload. 'Later heb ik papieren boeken van hem gekocht.' Downloader 2 vond 'de passie van het creëren' het belangrijkste en zou het een grote teleurstelling vinden als Javier Marías die passie zou opgeven. 'Ik heb zelf net mijn eerste boek gepresenteerd en ik wil alleen maar dat het wordt gelezen, het kan me niet schelen hoe.' Downloader 3 sprak Marías neerbuigend aan met 'jij'. 'Ik snap dat je kwaad bent, maar er zijn duizenden redenen om kwaad te zijn.'

            Het Beatrix-gehalte van de foto doet misschien anders vermoeden, maar ik ben niet rijk. De hoed heb ik voor vier euro te pakken gekregen en het lukt ook nog steeds om af en toe een goedkoop appartement in Spanje te huren om afgezonderd - en in prettige omstandigheden - te kunnen werken. Maar al dat gedownload is wel verontrustend. Het ondermijnt het professioneel beoefenen van het schrijverschap. Ik zou wel eens willen weten hoe groot het aantal officieel gekochte e-boeken per e-reader per jaar in Nederland is.

____________________________________________________________________


3 dec 2013

Mijn vader is vijfentachtig. We steggelen altijd over zijn voedingspatroon. Volgens mij moet hij meer groente en minder koeken eten. Intussen is hij zo slank als een jonge god. 's Winters fietst hij tien kilometer per dag, 's zomers twintig of zelfs dertig. Aankomend voorjaar wil hij weer met mijn moeder naar Portugal, in de rode kampeerbus die hij zelf heeft ingericht, hun tweede huis. Een andere auto hebben ze niet, mijn vader bestuurt de bus probleemloos. Hij heeft een geheim wapen, zo langzamerhand vindt hij het tijd dat ik het ook hanteer. Ik heb nu een briefje van hem gekregen. Sinds gisteren sta ik met regelmaat van mijn bureaustoel op en daar ga ik dan: zwaaien, rekken, strekken en heffen. De voorgeschreven aantallen haal ik niet, maar misschien lukt dat nog eens.

____________________________________________________________________


18 nov 2013

Ik ben een Amerikaans boek aan het lezen, 'Short Nights of the Shadow Catcher' van Timothy Egan. Het is een levensbeschrijving van Edward S. Curtis, de fotograaf die zichzelf rond het jaar 1900 ten doel stelde alle indianenstammen van de Verenigde Staten in beeld te brengen.

       Het boek herinnert me aan ons verblijf in de noord-westelijke staat Washington. Op een dag, het was in het voorjaar van 2009, reden we door een reservaat van 'Native Americans'. Langs de weg holde een jonge man, hij had verschrikkelijke haast. 'Meenemen?' zei een van ons. 'Doe maar,' zei de ander. We stopten, hijgend stapte de man achterin. Hij moest naar de bushalte en had nog acht minuten. Om te laten zien dat hij 'een echte' was, zoals hij zelf zei, hield hij de kwast van een lange dunne vlecht naar voren. Zijn adem rook sterk naar alcohol. Als voortanden had hij alleen twee stompjes.

      Bij de bushalte bleek dat we naar dezelfde stad gingen, en zo crossten we verder met de man achterin. Hij zat in de muziek, new grunge, hij kende al die grungejongens uit Seattle. Zoals veel verslaafden praatte hij een beetje drammerig. 'Ach, toe nou, breng me nog wat verder, hier linksaf, ik moet naar een vriend.' Tegelijkertijd verkneukelde hij zich, hij vond dat hij enorme mazzel had gehad.

       Bij het uitstappen stak hij zijn hand uit. 'Nate, dat komt van Nathan.'

       'Marietta,' zei ik, 'net als het dorp bij het reservaat.'

       We namen afscheid en weg was hij.

____________________________________________________________________


11 oktober 2013

Amsterdam hangt vol posters voor het zevende Ben Bril boksgala. Telkens als ik ze zie, denk ik vooral aan de liefde, en aan hoe de mens daar tot het allerlaatst naar verlangt. Onze buurvrouw, met wie we lang het trappenhuis hebben gedeeld, kwam op een dag naar boven. 'Ik heb een foto nodig waar ik helemaal opsta, niet alleen mijn gezicht.' Ze had slechte ogen, haar rug was gebocheld en bovendien was ze vierentachtig. Maar we lieten haar poseren op een bankje in het park en ze kreeg haar foto. We voelden het al aan: nu kon het grote daten beginnen. Na wat mislukkingen vond ze inderdaad een vriend, een weduwnaar met een stok. Toen hij overleed begon onze buurvrouw te dementeren. Twee jaar zijn we met haar in de weer geweest, jaren die ik achteraf als heel bijzonder beschouw. Er moesten steeds meer grote katten worden verjaagd die aan haar plafond hingen. Uiteindelijk kwam ze op de gesloten afdeling van een tehuis voor joodse ouderen terecht, Beth Shalom. En daar verbleef ook Ben Bril. Ik geloof dat hij er meerdere vriendinnen tegelijk op nahield, maar dat maakte haar niet uit: zij kon weer iemands hand vasthouden. Toen ze stierf begroeven we haar met ons zessen: een opgespoorde nicht en haar man, wij tweeën en twee medewerkers van het tehuis, die ik na afloop 'even bij Bennie Bril kijken' tegen elkaar hoorde zeggen. Ook hij bleek net overleden te zijn, ook hij was begraven op deze joodse begraafplaats. Onze buurvrouw ligt naast haar man en hij naast zijn vrouw, maar samen hebben ze elkaars laatste jaar verlicht.

____________________________________________________________________


1 oktober 2013

Toen ik voor het eerst een e-mail kreeg van D. Hooijer viel me op dat de toon gelijk was aan de toon van haar verhalen. Het absurdisme en de onvergelijkbare stijl waren geen literaire middelen, maar een directe weergave van haar manier van denken. Alles was echt aan haar, niets was bedacht of doortrapt, dat was een van de redenen dat ik haar zo ontzettend graag mocht. Dat ze pas op haar tweeënzestigste debuteerde, betekende dat de dood op een natuurlijke manier opdook in haar werk. 'De dagen waren nog niet geteld, door ons tenminste niet maar we waren op onze hoede. Iets of iemand hield een schaar omhoog boven onze draad.' (Kruik en Kling, 2001). Nu Kitty's draad – D. Hooijer was haar pseudoniem – is doorgeknipt, zal ik nooit meer door het centrum van Amsterdam lopen zonder aan haar te denken. Eenmaal hebben we samen een wandeling langs de grachten gemaakt, zij met haar blik op de nieuwe stoepranden van donkergrijze natuursteen. Mij was het nog niet opgevallen, maar ze bleken vol fossielen te zitten. 'Die ronde witte dingen zijn luchtbellen, maar kijk hier eens! En hier, kijk nou, dat is toch ongelooflijk?' Onder elkaar vonden we wel meer ongelooflijk. Toen we allebei in de jury van een literaire prijs zaten, waren wij de enigen die briefjes met ernstige aantekeningen tevoorschijn haalden, de andere juryleden waren geen auteurs en beoordeelden als het ware een vreemde soort. Eenmaal had ze tijdens zo'n bijeenkomst crocs aan, klompen van soepel plastic die prettig voor haar voeten waren. Dat ze een ziekte met zich meedroeg wist ik, maar 'de dokter zegt dat hij mij weer helemaal goed wil krijgen.' Ik ging er vanuit dat het zou gaan lukken. We ruilden onze eigen boeken altijd, dus toen ik een keer in Hilversum moest zijn belde ik bij haar aan met een pakje. Haar man verscheen aan de deur en verklaarde dat Kitty niet thuis was. De volgende ochtend kwam er een e-mail. 'Dat ik je niet trof! Zat bij de buurvrouw Snooker te kijken. We hadden een hell of a time.'

____________________________________________________________________


12 juni 2013

Het valt niet mee om aan je volwassen leven te beginnen, zeker niet als je je ook nog moet verhouden tot een partner. In mijn geval is er paardenmest aan te pas gekomen, waarmee ik de ander woedend bekogelde. En ja, hij gooide terug. Van het eerste jaar dat we samen op drie vierkante meter door Frankrijk reisden herinner ik me het meest, juist doordat het zo moeilijk was. Het metalen bit van de pony leek ons ontzettend hard, zodat we het vervingen door een stuk tuinslang met een touw erdoor. Een paar maal kwamen we met de hele aanspanning in de sloot terecht. Later, toen we een geschikter paard hadden aangeschaft en een iets grotere woonwagen hadden gebouwd, ging alles beter. Een gordijn deelde de ruimte in tweeën, met de rug naar elkaar toe zaten we ieder aan ons eigen tafeltje. Vijfhonderd gulden per maand was voldoende om van te leven, want groente en fruit kregen we onderweg wel, en als we het niet kregen aten we brandnetels. Eén van ons had geen ziektekostenverzekering. De hoefsmid was de grootste kostenpost, daarom leerden we het beslaan van hoeven zelf. Bij terugkomst in Nederland bleken we ongeschikt voor bijna alles te zijn geworden.

____________________________________________________________________


6 juni 2013

Het tankstation had pillen. Met onderdrukte hoofdpijn arriveerde ik op het opgegeven adres. Het was een volmaakt gerestaureerde boerderij met een volmaakte tuin waarin lupines, akeleien en vergeet-mij-nietjes bloeiden. Achter de boerderij zaten vier echtparen, uitkijkend op een weiland dat ook weer volmaakt was, met een bosrand erachter en geen enkel bouwsel in zicht. Al vijfentwintig jaar bespraken de echtparen samen boeken. Sinds een aantal jaren sloten ze het leesseizoen af met de komst van een auteur.

       Ik nam plaats aan een picknicktafel en beantwoordde de vragen die me werden gesteld. Langzamerhand begon ik te begrijpen wie bij wie hoorde. Ze werkten bijna allemaal nog, concludeerde ik ook, zowel de mannen als de vrouwen, terwijl ze toch rond de zestig moesten zijn. In het dagelijks leven waren ze geen vrienden, vertelden ze, maar als onze gastheer binnenkort zijn master zou behalen kwamen ze allemaal wel. Er werd dus ook nog gestudeerd in dit gezelschap. En er werd gelezen, heel veel gelezen, bijna altijd literaire romans.

        Zou het soms door het jarenlange bespreken van boeken komen dat deze paren allemaal zo'n vervuld leven leiden? bedacht ik toen we na het gesprek aan tafel gingen. Geen scheidingen. En wel banen, voor man en vrouw, op deze leeftijd. Zou het kunnen dat mensen door zich diepgaand in fictie te verdiepen een zekere mate van inzicht verwerven die ze gebruiken bij het nemen van beslissingen? Het bestaan wordt makkelijker als je anderen begrijpt.

        Bij het dessert kwam mijn hoofdpijn terug, en daarmee ook mijn sardonische kant. Toen ik mocht zeggen welk boek ze volgend seizoen als eerste zouden gaan lezen, kwam er vooral goedgeschreven smerigheid in me op, zoals 'Sabbaths Theater' van Philip Roth en vooral 'Het einde van Alice' van A. M. Homes, waarin de lezer terechtkomt in het hoofd van een moordende pedofiel. Maar één van de leesclubleden kende dat boek al. 'O nee, o nee.'

          De volmaakten gaan nu Biesheuvel lezen.

____________________________________________________________________


13 mei 2013

Begin 1994 leverde ik het manuscript van de roman Bokkezang in bij uitgeverij Meulenhoff. Na een week werd ik gebeld door Tilly Hermans, mijn redacteur. Ik weet nog precies wat ze uitriep: 'Dit is beter dan het meeste dat ik op mijn bureau krijg!'

       Thuis begonnen we plannen te maken voor een videoclip over het boek. Volgens een andere redacteur van Meulenhoff was er in Noord-Amerika al een auteur die zoiets had gedaan, Douglas Coupland, die net als wij was opgeleid als beeldend kunstenaar. Ter inspiratie kregen we een videoband met zijn clips te leen.

      We maakten een scenario, vroegen een vriend als camera-assistent, huurden een professionele camera en reserveerden een montageruimte. Dat de uitgeverij niets bijdroeg en ons laatste geld eraan opging deed er voor ons niet toe. Het schrijven van de roman was een enorme krachtsinspanning geweest, waarbij ik de uiterste grenzen van mijn capaciteiten had verkend. Dan kon dit er ook nog wel bij.

       Datzelfde jaar werd ik uitgenodigd voor het Crossing Border Festival in Den Haag. Directeur Louis Behre wilde onze literaire videoclip, de eerste die in Nederland was gemaakt, op de gevel van het festivalgebouw projecteren. Maar vlak van te voren kreeg hij het een of andere conflict over dit onderwerp, en het kwam erop neer dat de video over Bokkezang alleen in het zaaltje werd vertoond waar ik moest optreden. Niet meer dan vijftig mensen hebben hem daar gezien.

        Hoewel vooral in Vlaanderen de gelaagdheid echt wel werd onderkend, vonden de meeste journalisten het boek maar raar. 'Er spreekt zo'n vreemde mentaliteit uit'. Sindsdien moet ik altijd lachen als er weer een Nederlander, zoals laatst Marcel Möring, een pleidooi houdt voor het experiment in de literatuur, voor een vernieuwende stijl. In het land van 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' is daar geen plaats voor en er zal ook nooit plaats voor komen, zeker niet als die vernieuwende stijl samengaat met een radicale inhoud. Na Bokkezang publiceerde ik de roman De eerste zonde (1997), die zo lichtvoetig was dat hij meestal ten onrechte als mijn debuut wordt gezien. Dat boek haalde een een stuk of vijf drukken en is nog steeds te koop. Bokkezang daarentegen was commercieel een totale mislukking.

      Toch loopt deze geschiedenis goed af. De Russische vertaalster Irina Michajlova, neerlandicus, ontdekte Bokkezang in het jaar 2000 en zocht er in Sint Petersburg een uitgever voor, Amphora. Tijdens het vertalen schreef ze me dat ze er hartklachten van had gekregen. 'Dit boek gaat voor tachtig procent over mij. Over ons.'

        In 2003 mocht ik met een delegatie Nederlandse auteurs mee naar Sint Petersburg, waar een criticus mijn boek had geanalyseerd. In boekhandels zag ik het op grote stapels liggen. Ook andere Russen dan Irina bleken zich in de inhoud te herkennen. Via Google Translate heb ik ontdekt dat er nog steeds over de roman van Мариет Мейстер wordt gepraat. Zelf beschouw ik de Russische vertaling van Bokkezang als één van de hoogtepunten van mijn schrijverschap.

      De videoclip is nooit meer ergens vertoond. Doordat hij professioneel was opgenomen, konden we hem ook niet thuis afspelen. Nu is hij dan eindelijk gedigitaliseerd en van nieuwe muziek voorzien. Alle eer komt toe aan Jaap de Ruig en de mensen die hem bij het maken van de clip hebben geassisteerd.

____________________________________________________________________


30 maart 2013

Amsterdam, café Luxembourg. Two friends are having a drink. Health, family, and of course they're also talking about their daily occupations. One of them is preparing a book of essays that will be presented in New York. The other is struggling with a novel that is situated in a Dutch village. They talk about money as well, a favourite subject among writers who don't have a regular income. 'But you've received at least loads of prizes!' one of them exclaims. The other has to admit it's true. 'I've not received any,' the first one continues.

        Amazement. But then the writer who has received loads of prizes says: 'Come on, we are leaving, you are going to win a first prize. And that's just the beginning!' Fifty metres away from café Luxembourg she enters a shop. And that's how I received the Golden Cookie 2013. The chairwoman of the jury is called Dubravka Ugresic. Tonight we are going to celebrate her birthday.

____________________________________________________________________


Uitzicht 01 - www.marietmeester.nl - foto Meester/deRuig

9 november 2012 - Het uitzicht (1)                                                  

Als het allemaal alleen nog maar over geld gaat, laat ik het er dan ook eens over hebben. Mensen met hogere inkomens schrikken erg nu ze meer zorgpremie moeten gaan betalen. Kennelijk beroert dit hun ziel meer dan wat dan ook, want ze bleven stil toen er eerder al veel van hen werd afgepakt. In de nabije toekomst zullen er bijvoorbeeld minder musici in Nederland zijn, minder dansers, filmers, acteurs en schrijvers. Het Stedelijk Museum in Amsterdam krijgt minder keus uit exposanten, in boekwinkels liggen vooral nog pief-paf-poefboeken en het aantal interessante concerten neemt af. Nu het ene na het andere cultuurfonds verdwijnt en zelfs de zelfstandigenaftrek niet lijkt te blijven bestaan, zullen talloze kunstenaars die altijd tevreden zijn geweest met een klein, her en der bij elkaar gesprokkeld inkomen, hun creativiteit vooral moeten inzetten om in leven te blijven. De mensen die nu hun verzekeringskosten zien oplopen, zijn dus straks ook niet meer in de gelegenheid om te genieten, te lachen, te grijnzen, te huiveren, zich te verbazen, hun ideeën te toetsen of misschien zelfs een heel klein beetje hun mentaliteit te veranderen.

      Vooralsnog ga ik er maar van uit dat het geschreeuw over de ziektekostenpremie eigenlijk een kreet van ontzetting over die ándere komende armoede is.

____________________________________________________________________


9 augustus 2012

In 1952 heeft in Veenhuizen een gestichtsbewoner een zevenjarig jongetje vermoord. Tijdens mijn jeugd echode deze gebeurtenis nog steeds na. Niemand wist hoe het er precies aan toe was gegaan, maar dat je een beetje moest uitkijken was duidelijk. In Koloniekak. Leven in een gevangenisdorp heb ik een hoofdstuk aan de moord gewijd. Als een detective heb ik de persoon opgespoord die het jongetje als laatste heeft gesproken, en ook de man die het dode kind heeft gevonden bleek nog in leven te zijn. Verder had ik een gesprek met de oudere broer van het slachtoffer. Enkele documenten in het dagboek van de toenmalige justitiepastoor gaven een extra dimensie aan mijn reconstructie.  

      Het vreemde is dat de herinneringen van de mensen met wie ik praatte, op verschillende punten afweken van de krantenartikelen die destijds zijn verschenen. Zo zou het jongetje door de gestichtsbewoner zijn meegelokt vanwege een vogel, maar volgens de persoon die het jongetje het laatst heeft gesproken ging het om een konijn. Verder is er in de artikelen sprake van een touw, maar degene die het kind heeft gevonden wist daar niets van. Het jongetje zag er volgens hem gruwelijk uit, maar iets om zijn hals, nee, echt niet. Tot slot stond na de moord in de krant dat het geen zedenmisdrijf was geweest, terwijl het zowel volgens de vinder als de oudere broer vrijwel meteen duidelijk was dat het kind werd misbruikt.

           De complexiteit tijdens het schrijven van Koloniekak zat hem niet in de stijl. Die is heel toegankelijk, dat was nu eenmaal de opdracht. De grootste dilemma's ontstonden als gevolg van de feilbaarheid van de menselijke herinnering, waardoor het voor mij heel moeilijk was om de juiste toedracht te bepalen. Uiteindelijk heb ik besloten om aan het relaas van iemand die een gebeurtenis zelf had meegemaakt, meer waarde te hechten dan aan het verslag van bijvoorbeeld een journalist. In mijn versie van de moord is de vogel dus toch een konijn. Over het touw - waarschijnlijk een gordel van een gestichtsbroek - twijfelde ik, daarom heb ik er in mijn verhaal geen aandacht aan besteed. Over het misbruik was ik zeker. De ontkenning in de krant moet met de preutsheid van 1952 te maken hebben gehad.

           Net als bij ieder boek dat ik heb geschreven is er uiteindelijk een tekst ontstaan waarvan alleen ik weet hoe onvanzelfsprekend de vanzelfsprekendheid tot stand is gekomen.

____________________________________________________________________


4 mei 2012

Sinds februari 2011 ben ik terug in het dorp waar ik ben opgegroeid, de gevangeniskolonie Veenhuizen. Vanuit een leegstaande pastorie wilde ik drie maanden materiaal voor een roman verzamelen. Maar er kwam al meteen iets tussen, ik kreeg een opdracht om een boek te schrijven op basis van gesprekken met oud-inwoners. Het gevolg is dat ik nog steeds in Veenhuizen zit. De opdracht is nu bijna voltooid, het resultaat wordt op 31 mei gepresenteerd in het Nationaal Gevangenismuseum. De dag erna hoop ik mijn leven in Amsterdam weer op te pakken. Nog één maand kan ik doen wat ik eigenlijk wilde: zomaar een beetje rondfietsen, nadenken en notities maken. Vandaag dwaalde ik door het grote huis en wrikte in een zolderkamer een gietijzeren luikje in de schoorsteen open. Op het luikje ernaast stond 'slaapkamer pastoor', dit luikje leidde naar de studeerkamer van de kapelaan. Het hele rookkanaal van ongeveer zeven meter lang bleek vol te zitten met takjes.

____________________________________________________________________


12 november 2011

Je wilt een beetje meetellen als tijdelijk dorpeling, dus ja, ik had snoep in huis. Verantwoord snoep, dat wel, van die doosjes met gedroogd fruit, samen met een extra kleinigheidje verpakt in cellofaan. Om acht uur waren er nog maar tien kinderen geweest. Ik besloot mijn ouders te bellen, die tweehonderd meter verderop wonen. 'Hoe staat het er bij jullie voor?' Mijn moeder vertelde dat de score daar op negentien kinderen stond. 'Zoveel!' reageerde ik.

        Om kwart over acht verlangde ik naar grote-mensen-dingen, stemmen uit mijn bestaan in Amsterdam. Het was donker en heel koud, er kwamen vast geen kinderen meer. Een krant, ik wilde zo graag een krant. Ik belde naar een kiosk vijftien kilometer verderop, daar bleek nog net één NRC te liggen. We raceten er naartoe, op de terugweg ging mijn telefoon. 'Zijn jullie al naar bed ofzo?' vroeg mijn moeder. 'Waarom doen jullie niet open?'

      Ik vertelde over de krant, en dat we bijna weer thuis waren. Even later demonstreerden mijn ouders sniklachend wat ze net hadden uitgehaald. Nadat mijn moeder enige teleurstelling in mijn stem had bespeurd over die tien kinderen, hadden mijn vader en zij een plan ontwikkeld. Snel de winterjas aan, rare petten op, lange lucifers mee, twee potjes met een kaars, een liedje geoefend, door de kou naar de pastorie. Daar verstopten ze zich achter een struik om stiekem de kaarsen aan te steken. Nadat ze hadden aangebeld, zakte de één op de knieën op de stoep, de ander zette de pet scheef en trok een verwachtingsvol gezicht. Maar de deur ging niet open.

             Eenentachtig en drieëntachtig zijn ze.

____________________________________________________________________


8 november 2011

Het was ochtend, het afval moest aan de straat. Twee gedetineerden die in onze tuin aan het werk waren, zeiden goedemorgen. 'Bent u de pastoor?' J. schoot in de lach. Hij was niet de pastoor en nee, hij was ook niet de baas van de kerk. Hij legde uit wat we dan wel deden in de pastorie, dat we er tot 1 februari wonen zodat ik onderzoek voor twee boeken kan doen.

       De heren begonnen hun eigen kant van de zaak te vertellen. Ze waren onderdeel van iets nieuws, zeiden ze trots, 'niet iedereen mag daar zomaar aan meedoen'. Een experiment was gestart, vanuit de ISD in Hoogeveen vertrokken ze iedere dag om 7.00 uur in een busje naar Veenhuizen om het openbare groen te onderhouden. Het beviel uitstekend, 'dan kunnen we tenminste laten zien dat we ook nog wel een beetje normaal zijn.'

      Vanaf mijn babytijd ben ik gewend aan gedetineerden om me heen, maar nu leek het ons wel even raadzaam om op te zoeken wat 'ISD' betekent. Als mensen willen laten zien dat ze toch een beetje normaal zijn, waren ze dat eerder dus blijkbaar niet. Hadden we met psychisch gestoorden of iets dergelijks te maken? Maar het viel mee. ISD betekent Inrichting voor Stelselmatige Daders, het zijn gewoon veelplegers. Volgens de website van het Openbaar Ministerie is de ISD een 'allerlaatste-kans-voorziening voor de zwaarste doelgroep'.

     Aan het eind van de middag vertrokken onze nieuwe tuinmannen op blauwe damesfietsen die kennelijk ook bij het experiment horen. De werkmeester fietste voorop, gevolgd door de gedetineerde die had gevraagd of J. de pastoor was. Hij was nog jong, uitgelaten verplaatste hij zijn gewicht naar achteren en reed een heel stuk op één wiel.

____________________________________________________________________


25 september 2011

Since two weeks David is staying with us. Every day he tells new stories about the people he knows. All are Roma who are living in Italy, Greece, Spain, France or their native country Romania. They seem to have only one thing in mind: how to get the money from other people's purse into their own. The Roma David tells us about are cheating or stealing, his female friends are 'on the street' or 'in a club'. I think I will never again be able to write about Roma the way cultivated people expect me to write. I feel poisoned.

         In the mean time David himself has other occupations. Half a year ago my partner Jaap de Ruig, visual artist, has procured him a small digital photo camera. Guided from a distance by Jaap, which is a delicate and complicated process, David takes pictures of his daily life among the Romanian Roma. He receives a monthly fee, which is paid by a group of art lovers. The photo camera already has become David's companion and good friend, his 'jewel' as he calls it.

        At the moment the first results of Jaap's project 'What David sees' are exhibited in Amsterdam. If everything continues to go well, a solo exhibition will take place next year and a photo book will be published. More about all this (in Dutch): http://www.jaapderuig.nl/whatdavidsees.html

____________________________________________________________________


20 september 2011

Mooie tijden. Onze logee, die we kennen sinds zijn negende, is nu dertig. Nog steeds is het hem niet gelukt om te ontsnappen aan de Roemeense zigeunerwijk waar hij is opgegroeid. Plannen genoeg, maar de uitvoering loopt telkens stuk. De meeste verhalen die hij over thuis vertelt, gaan over mensen die bezig zijn met zaakjes in de categorie list & bedrog. Voor iemand met zijn karakter – niet slim, niet geraffineerd – is het vrijwel onmogelijk zich eraan te onttrekken. In alles is hij een volwassen man, maar soms lijkt hij een bepaalde periode uit zijn leven opnieuw te willen doen. 'Even serieus,' zegt hij tegen mij. 'Mevrouw Mariët' – hij noemt ons 'u' en 'mevrouw' en 'meneer' – 'wat ben ik precies van jullie?'

       Mevrouw Mariët doet alsof ze nadenkt. Deze conversatie heeft eerder plaatsgevonden en zal vaker plaatsvinden.

       'Nou? Nou? Wat ben ik van jullie? Ik ben toch jullie, jullie...'

       'David, je bent onze vriend. Je bent een heel goede vriend.'

____________________________________________________________________


16 september 2011

Laat op de avond, eindelijk languit op de bank. In de andere kamer wordt nog op blik getimmerd. David en J. bereiden de presentatie van hun nieuwe project voor, al de hele dag is de toestand koortsachtig. Er is zelfs geschreeuwd, de intuïtieve en de rationele methode verdragen elkaar niet altijd. Nu wil ik er even niets meer over horen. Bovendien: wat stelt het voor? Een hoop mensen exposeren op die tentoonstelling, het gedoetje van J. en David valt vast niet op. Ik grijp de onschuldigste glossy die er in huis is, Villa d'Arte, je krijgt het gratis bij een Visakaart. Lekker ontspannen gluren naar de huizen van rijke mensen, hun auto's en vakanties, lekker die twee kerels vergeten. Ik heb net iets over zilveren miniaturen gelezen, als er een tekst komt die zo begint: 'Ongeveer 35 kunstenaars zijn in de tentoonstelling opgenomen en er is aandacht voor schilderkunst, sculpturen, teken- en videokunst en fotografie.' Nog heb ik niets in de gaten, tot ik lees: De bekendste namen zijn Jaap de Ruig (met het project "What David sees') en..... Help!!!

____________________________________________________________________


14 september 2011

David is er. Onze protegé uit een Roemeense zigeunerwijk. Wat kun je toch altijd lachen met die Roemenen. Nodig er eentje uit en je zit in een absurde film. David heeft tweemaal eerder bij ons gelogeerd, maar dat was in Amsterdam. Dat we nu in een Drentse pastorie bivakkeren was nieuw voor hem, maar in een milliseconde paste hij zich aan. 'Misschien kun je je tas alvast buiten uitpakken en dan alles goed uitschudden? De vorige keer nadat je was geweest hadden we nogal wat vlooien in huis.' David staat nog bij de achterdeur of hij is al goedmoedig zijn spullen aan het overpakken in een plastic zak. Voor het eerst heeft hij cadeaus bij zich. Als ik het mijne uit de verpakking haal, blijkt het een Roemeense jurk te zijn, twintig maten te groot, de zoom komt tot mijn enkels. Ik hang het ding op een kleerhanger aan de muur, kan ik telkens even grijnzen als ik erlangs loop. J. pakt zijn cadeau ook uit, het is een zilverkleurig horloge. Ook hij blijkt in de Roemeense verbeelding reusachtig van proporties te zijn, de polsband is voor een bodybuilder nog te groot. Er valt een prijskaartje uit het zakje. Snel moffelen we het weg, niet leuk voor de gever dat hij vergeten is het weg te halen. Het horloge kostte vijf euro.

____________________________________________________________________


1 september 2011

Dubravka zou komen logeren. Ik kocht roze aardappels uit de Tuinen van Weldadigheid. Maar Dubravka kwam toch niet. Verlangend naar gezelschap fietste ik naar een schuur met tweedehands boeken. Ik koos voor Tolstoi, 'De Kreutzersonate'. Daarna zag ik 'Het leven is een sprookje' staan, een Rainbow pocket geschreven door mijn afwezige logee. Eén van de verhalen heette 'De Kreutzersonate'. Met Dubravka en Tolstoi in mijn tas fietste ik naar huis. Onderweg zag ik een regenboog. Ik at roze aardappels.

____________________________________________________________________


18 augustus 2011

Voor het eerst ben ik bang.

         Iedere werkdag om acht uur stopt er op straat een donkerblauwe gevangenisbus met zwarte ramen. Er komen vier of vijf gedetineerden uit, die via onze oprijlaan naar twee bouwketen lopen. Die staan naast het huis. De gedetineerden krijgen er instructies van de werkmeester en zwermen dan uit met hun tuingereedschap. Ze pauzeren ook in de bouwketen. Een enkeling werkt de hele dag, de meesten laten zich 's middags aflossen. Ik ben dat allemaal gewend, in mijn jeugd ging het net zo. Toen droegen de gedetineerden bruine pakken, nu fluorescerend oranje hesjes over groene overalls. Kom ik er eentje tegen, dan zeg ik vriendelijk goeiendag en loop door. Soms staan we oog in oog, als ik bijvoorbeeld de keuken inga en buiten is net iemand water aan het halen bij de kraan schuin onder het raam. We lachen dan allebei en steken een hand naar elkaar omhoog. De meeste gedetineerden zijn schuchter, zo trots zijn ze nu ook weer niet op hun verblijf in Veenhuizen. Ze zijn allang blij als iemand normaal tegen ze doet. Opvallend veel van hen zijn blank, hoewel er op het moment een stoere gast tussen zit met lang zwart haar en een getinte huid. Toen vorige week de zon een keer scheen en ik onze lunch naar buiten droeg, stond hij toevallig bij de kraan water te drinken. 'Eet smakelijk,' zei hij in uiterst beschaafd Nederlands.

       En nu is er voor het eerst iemand die zich niet aan de ongeschreven gedragscode houdt. Een dag of wat geleden stond er een grote, zeer zwarte man in gevangeniskleren op onze oprijlaan. 'Hoi', zei ik terwijl ik voorbij fietste. Gulzig groette hij terug. Een dag later groette hij nog gulziger en ging uitgebreid staan kijken. Aan het eind van de middag zag ik een doffe plek op het keukenraam. Ik schonk er geen aandacht aan, tot ik 's avonds bedacht dat het een afdruk van het hoofd van de zwarte man moest zijn. We probeerden het uit en ja hoor: als je links naast de buitenkraan staat en je buigt je voorover om te zien wat er binnen gaande is, raakt je hoofd daar het glas. De volgende dag gebeurde er weer iets, toen zaten we met een vriend in de keuken te eten. Onverhoeds verscheen het bekende hoofd voor het raam. De man ging staan staren tot ik mijn gezelschap had gealarmeerd. Terwijl hij wegliep keek hij toch nog een keer achterom en zwaaide grijnzend.

         Het keukengordijn is nu overdag dicht. Ik let extra op of de achterdeur wel op slot zit. Om halfvier gaan de gedetineerden terug naar de gevangenis, pas daarna waag ik me buiten. De vlek zit nog steeds op het raam, die bewaar ik als bewijsmateriaal.

____________________________________________________________________


10 augustus 2011

Nog steeds werk ik vanuit een prachtige pastorie in het gevangenisdorp Veenhuizen aan twee projecten. Eén ervan is een oral history project waarvoor ik allerlei mensen interview. De deadline voor het boek dat eruit moet voortkomen - het is een opdracht - is 31 december. Het zal vast mogelijk zijn, maar krap is het wel. Vorige week, toen er iemand onze afspraak afzegde, had ik ineens tijd voor een mini-vakantie. Het regende niet, de temperatuur was perfect: op naar het Fochteloërveen. Daar zei ik eerst nog 'hoi' tegen de mensen die ik tegenkwam, maar allemachtig, wat was het een drukte op de hei. En wat zijn er de laatste jaren veel jassen verkocht bij de ANWB, wat bestaan er veel fietsen met verborgen motortjes. Het schijnt de bedoeling te zijn dat er ook nog buitenlandse toeristen naar Veenhuizen worden gelokt. Maar voorlopig loopt dat wel los, zei ik geruststellend tegen mezelf. Je moet niet zo behoudend zijn, dit bijzondere hoogveengebied is echt niet alleen van jou. Accepteer nou eens dat je dorp geen besloten justitieterrein meer is. Je wilt hier geen buitenlandse toeristen en jij mag in hun land wel genieten van natuurgebieden? Bovendien: welke buitenlander neemt nou de moeite helemaal naar deze plek te komen, ze kunnen echt wel betere bestemmingen bedenken.

         Aan het andere eind van het veen, waar een kleine parkeerplaats is gemaakt, stapte ik van mijn fiets en ging aan een picknicktafel zitten. Er kwamen twee busjes aan. Ze parkeerden, de deuren gingen open. Grote stokken verschenen, het leken haast wapens. Er zaten verrekijkers als slurven op, de stokken waren statieven. Nog meer statieven, nog meer verrekijkers. En mensen, misschien wel twintig, met een gemiddelde leeftijd van zeker zestig. Ze namen de apparatuur op hun nek en sjouwden als groep naar het Fochteloërveen. Na vijftig meter zetten ze allemaal tegelijk hun zware last op de grond en begonnen door de kijkers te turen.

        Ik fietste weg en keek nog eens naar de twee busjes. Witte nummerborden. Zweden.

____________________________________________________________________


24 juli 2011

A mass murder. People dying of hunger. Personal fears. Misunderstandings causing misunderstandings. And then the doorbell rings. A parcel is delivered. Did I order something? The parcel is from abroad, from Bulgaria. The name of the sender is familiar. We know each other since 2000. Back then we both participated in the Literaturexpress. During six weeks more than hundred European poets and writers travelled by train, staying in cities like Lisbon, Paris, Moscow and Minsk. We were united by fatigue and exitement. Eleven years later Georgi Pashov was walking in a neighbourhood of Sofia when he saw a Refan shop. He remembered me liking Refan soaps. Without hesitating he bought seven of them, went to the post office and a few days later they were in Veenhuizen, Drenthe. The house smells of friendship now.

____________________________________________________________________


18 juli 2011

Of ik figurant wilde zijn. Figurant in een reclamefilmpje. Veenhuizen heeft de EDEN award gewonnen, een landelijke prijs voor de herbestemming van lokaal erfgoed. Het dorp mag nu deelnemen aan een vergelijkbare competitie op Europees niveau, daartoe worden in verschillende landen filmpjes gemaakt. De meneer die vroeg of ik eraan wilde meewerken is voorzitter van de stichting Veenhuizen Cultuur & Toerisme. Ik mag hem graag, hij voelt zich nergens te goed voor, en zo liep ik afgelopen zaterdag in wandeltenue over het Fochteloërveen. Mijn drie medefiguranten en ik moesten buitenlandse toeristen verbeelden. Nu wil ik diep in mijn hart dat het hele toerisme in Veenhuizen wordt teruggedraaid en dat alles weer net als vroeger wordt, toen we gewoon lekker met elkaar in een gevangenisdorp zaten met driehonderd bordjes 'Verboden toegang' eromheen. Tot nu toe komen er goddank geen buitenlandse toeristen naar Veenhuizen, en al helemaal niet naar het Fochteloërveen, dat toch wel als een van de meest heilige plekken op aarde mag worden beschouwd. Maar ja, daar wandelde ik dus toch, in de lelijkste kleren die ik me kan voorstellen. Mijn ene mede-figurant zei in de microfoon dat Veenhuizen superbe en magnifique was, de ander riep iets in net-echt Italiaans, want voor onze rollen waren de beschikbare intellectuelen uitgekozen. Toen was het mijn beurt. Ik dacht aan de bussen met bezoekers van het Nationaal Gevangenismuseum die verdacht langzaam rijden als ze voor mijn tijdelijke woning langskomen, ik dacht aan de opening die ik een paar weken geleden in datzelfde museum heb mogen verrichten. Een mens moet toch érgens iets bereiken, ik denk dat ik wel mag zeggen dat ik een BV'er ben geworden. En dan zou het geloofwaardig moeten zijn dat ik in die video een Engelse of Roemeense toeriste was? De filmploeg, die uit twee Duitsers bestond, begreep me wel. Ik werd ontheven van mijn taak om iets te zeggen in een vreemde taal. En zo komt het dat er straks een filmpje op het internet gaat circuleren waarin ik over de Drentse hei sjouw met drie spannende buitenlanders; mijn man, mijn buurvrouw en een mevrouw uit het dorpje Een.

____________________________________________________________________


14 juni 2011

Hij was achtentwintig en begeleidde gasten op het TIFF, het Transilvanian International Film Festival. We zaten met hem op het terras van het restaurant waarnaar hij ons had meegenomen. Tatoeages op zijn bovenarmen, twee telefoons naast zijn bord. Aan de andere tafels zaten mensen die er net zo uitzagen als hij: jong, gezond, bijdetijds. Terwijl we de menukaart bekeken en maar moeilijk konden kiezen, vertelde ik over post-communistische tijden. De mensen in Roemenië waren grauw, de restaurants waren grauw en een menukaart kreeg je niet. 'Heeft u eten?' vroeg je de ober en dan hoopte je dat er iets verscheen. Huurde je een hotelkamer, dan wachtte je af of er wel een gloeilamp hing, aan gloeilampen was na de Roemeense revolutie groot gebrek. Hij luisterde alsof hij het voor het eerst hoorde. 'Ik hou ook erg van vintage,' zei hij uiteindelijk. Tijdens de dagen die volgden gebruikte hij telkens dergelijke onhandige termen als ik iets vertelde over de periode na de omwenteling in zijn land. 'Old school,' of zelfs: 'De geschiedenis is opwindender dan het heden.' Ik realiseerde me dat 1989 voor hem bijna net zo lang geleden is, als 1945 voor een Nederlander in pakweg 1970.

____________________________________________________________________


13 juni 2011

Laten we het eens over Halbe Zijlstra hebben. Vorige week was ik op een filmfestival in de Roemeense stad Cluj. Meteen de eerste avond, vers uit Nederland, kwam ik terecht in een bioscoop met zevenhonderd stoelen. Er zaten zevenhonderd gretige jonge mensen op. Net als ik droegen ze een speciale bril, want we waren in afwachting van een film in 3D: Pina van Wim Wenders. Ik had zo mijn bedenkingen, die onmiddellijk verdwenen toen Pina Bausch en haar dansers in drie dimensies in beeld kwamen. Ik gaf me over aan hun inventiviteit, hun bevlogenheid, hun pijn, hun schoonheid, de poëzie van de ritmes, kleuren en bewegingen. Zielsverwantschap voelde ik; met de choreografe, met de makers van de film, met de rest van het publiek, dat zich na afloop uitte door langdurig te applaudisseren. Als dansers liepen we allemaal weg, edel en elegant, voor weken gevoed en gesterkt. Ik dacht: arme, arme Halbe.

____________________________________________________________________


27 mei 2011

It was my birthday. Usually I don't tell anybody about it. But when you live in a village and your family is around, there's no escape. So a birthday cake was bought en visitors showed up. The weather was great, we had tea in the open air. Our gardeners, a group of five or six prisoners who have their base camp in two wooden cabins, were able to see us. Next day half of the birthday cake was left over, so we went to the supervisor and gave it to him. 'Wow,' he said. 'And congratulations.' The prisoners, who were just having coffee, remained silent. As if they were children, the supervisor asked: 'What do you say now?' They mumbled 'thank you'.

     In the evening a bird was sitting on our cistern and looked as if he was missing something. Indeed a bowl was missing. We had put it on top of the cistern with some water in it. Now it happened to be deep down in the shaft. By using two brooms we managed to collect it and fill it with water again, for the birds to drink. Except for the prisoners, nobody else had been in our garden. Had one of them opened the heavy lid of the cistern and thrown the bowl downwards?

      By offering the remains of a cake, we had broken an unwritten law. In a village like Veenhuizen, you accept each others presence. But villagers and inmates don't start a relation. When you give prisoners cake, you are stressing that they are in another position. Because we see them every day and say hello to each other, in our mind they have become just like us. But they are different. Something is the matter with them, otherwise they would not have been here. According to our standards of conduct, they might act unpredictable.

____________________________________________________________________


19 mei 2011

Een huis van tien meter breed, tien meter diep en tien meter hoog. Dankzij het Ontwikkelingsbureau, een organisatie die bestemmingen zoekt voor de leegstaande monumentale panden in Veenhuizen, betalen we er bijna niets voor. Het leek ons daaarom wel eens tijd om wat meer mensen van de pastorie te laten genieten. We hadden bedacht een filmavond in de woonkamer te houden. Een stuk of vijfentwintig mensen kregen een uitnodiging - meer stoelen zijn er niet. Toen we eenmaal met de meubels liepen te slepen en het geïmproviseerde scherm opstelden, voelden we ons toch wel enigszins belachelijk. Hoeveel kinderen voeren er niet tussen de schuifdeuren een toneelstukje voor hun opa en oma op? Jaap (de Ruig) had een selectie van zijn oudere werk op een dvd gezet, beeldmateriaal over een nieuw project toegevoegd en ook een documentaire van een halfuur uitgekozen waarvan de definitieve versie nog maar net af is. In de keuken zetten we koffie en drank neer met een briefje 'zelfbediening' erbij. Toen iedereen eenmaal met een mok, glas of flesje in de hand stond te praten - sommigen hadden een cadeautje meegenomen! - had ik al geen spijt meer. Bij het begin van de voorstelling ging de een op de bank zitten, de ander op een rare tuinstoel, de volgende toch maar liever op de grond. De films riepen heel verschillende reacties op. Wat bij de een geen diepere laag raakte, ontlokte een ander juist nerveus gelach of een kreet van ontzetting. De slotfilm 'Na de mooiste dag', over een pianist die tijdens zijn huwelijksreis van de fiets viel en daarbij verlamd raakte, zorgde voor de meeste respons. Op 17 juni gaan we weer een avond met hetzelfde programma houden.

____________________________________________________________________


25 april 2011

Brand in het Fochteloërveen. Vroeger sprong je meteen op de fiets of bij je vader in de Vauxhall Viva. In 2011 kun je dan niet achterblijven, snel per fiets naar het pad door het bos. Dat was afgesloten met een dranghek. Een ander pad was afgesloten met rood-witte linten. Bij het volgende stonden zowel een hek als een man. Terug naar huis, gauw in de auto, maar ook verderop nergens toegang. Naar de radio geluisterd: het was heel erg allemaal. Gisteren had ik me nog zo gelukkig gevoeld in het veen, vanaf vandaag was het er zwart en doods. Later op de dag toch de fiets over het dranghek getild en in het geheim over het bospad gecrosst. Verderop, gedekt door bladerkronen, langs een bosrand geslopen. Daarna, eindelijk: het Fochteloërveen. Majestueus strekte het zich voor me uit, geel en gaaf tot aan de horizon. In de verte onderscheidde ik wat dunne rookwolken. Meer was er niet veranderd.

____________________________________________________________________


16 april 2011

I had dinner. In prison. The village in which I'm staying counts three prisons for grown-ups and one for youngsters. The prison for youngsters is part of an organisation called 'Het Poortje'. This organisation exists since 50 years. All kind of jubilee activities are taking place. A book has been published, I was one of the authors. Since then I'm in contact with someone who works there, and this was the reason I was invited to come and eat the results of 'multicultural cooking', another activity celebrating the jubilee. I went to the institution by bicycle. Delicious smells were crossing the fence. Inside the building happened to be some fuss: the preparations had been too stressful for some inmates, agressive acts had taken place and ketchup had been thrown around. So two groups were not allowed to eat with us. The other boys entered one after another. Cool guys, white guys, pretty young guys, well tempered guys, silent guys. I was sitting next to a boy who turned out to be fourteen. He had entered the institution one week ago. But it was his second time. Each boy had decorated his own 'multicultural plate', but most of them refused to eat from it. They preferred a plastic plate and kept the special plate carefully clean. For obvious reasons our cutlery was made of plastic as well. I was moved by the prisonworkers, who were doing their utmost to make this event succesful. I knew one of the boys - I didn't know who - had killed his mother.

____________________________________________________________________


10 april 2011

Vanmiddag zong in de kerk naast mijn huis het Drents Kamerkoor passiemuziek van Bach, Mendelssohn, Söderman en Túma. Tijdens de stiltes tussen de stukken hoorde ik dezelfde vogels die me 's morgens wakker kwetteren. Achter de koorleden zag ik de schildering die ongetwijfeld terecht zal komen in de roman waarvoor ik onderzoek doe. De schildering is gemaakt door een politieke delinquent die na de oorlog vastzat in Veenhuizen, een zeer foute Nederlander. Kobaltblauwe lucht, zwevende engelen: prachtig.

____________________________________________________________________


4 april 2011

Voor de minister-president hoef ik ook al niet van huis. Gisteren zag ik naast de gracht rond het Gevangenismuseum twee nog vrij jonge heren lopen. Ik kon niet anders dan constateren dat de ene Mark Rutte heette. De ander was mij onbekend. Discreet keek ik voor me. Het was museumweekend, ook een Mark Rutte wil wel eens gratis naar een museum. Hij moest toch wat, de belangrijkste Nederlandse musea zijn immers al jaren dicht. Beveiligers waren nergens te bekennen, de heren waren een dagje uit. Rutte staarde verlegen naar de grond, maar de man naast hem riep 'hallo' alsof hij wist wie ik was. Later, terwijl ik naar een brullende generator uit 1928 stond te kijken die speciaal voor het museumweekend aan de praat werd gebracht, vroeg ik me af of Rutte en zijn vriend-die-mij-kende nog steeds ronddwaalden door het dorp. Mocht ik ze opnieuw tegenkomen, dan zou ik ze op de koffie vragen in de pastorie. Mijn tijdelijke woning is eigendom van de Rijksgebouwendienst, een minister-president wil zoiets vast wel eens van binnen zien. Tussen het nippen aan een beker koffie door, zou ik natuurlijk beginnen over zijn medewerker Halbe Zijlstra, over het totale gebrek aan cultuurgevoel van deze zoon van een politieagent uit Oosterwolde. Het heerschap is bezig de strop om de nek van tienduizenden scheppend kunstenaars aan te trekken. Verder zou ik de plannen aansnijden om de zelfstandigenaftrek alleen nog maar voor 'succesvolle' ondernemers te laten gelden, zodat iemand als ik, die altijd haar eigen geld heeft verdiend en tevreden is met weinig, straks echt niet meer rond kan komen. Bij de tweede beker koffie zou ik uiteraard Wilders ter sprake brengen, het gevaar van 's mans tweede 'film' en de manier waarop men in het buitenland - zo is mijn ervaring - over Nederland begint te denken. Toen de demonstratie van de oude generator was afgelopen, verliet ik daarom de elektriciteitscentrale, stapte weer op de fiets en begon Veenhuizen te doorkruisen. Mark Rutte was nergens meer te bekennen.

____________________________________________________________________


29 maart 2011

Of het wel ging, was de vraag uit Amsterdam. Ik zette immers niets meer op Facebook. Zat ik maar een beetje stilletjes daar in die verre pastorie? Ik dacht aan mijn broer en de dertig gasten die bij mij thuis zijn vijftigste verjaardag hadden gevierd, ik dacht aan mijn nieuwe vrienden van eenentachtig, zesentachtig en eenennegentig die mij in lange sessies hun herinneringen aan Veenhuizen toevertrouwden, ik dacht aan alle Drentse bobo's die waren wezen koffiedrinken om me voor zekere plannen te winnen, ik dacht aan degenen die om mijn tienpersoons eettafel hadden gezeten en ik dacht aan mijn vroegere leven in Amsterdam, waar ik dagen achter elkaar zonder onderbreking zat te schrijven. Stilletjes.

____________________________________________________________________


21 maart 2011

A friend who is a pianist announced his visit. The organ in my parent's church is pretty good, so I thought: let's take him to the service. The pianist didn't show up, but I went to church anyway. Several prisoners were attending. I saw a pony-tail, a piercing, some tattoos. One prisoner was sitting alone. He was looking rather old, over sixty. When the minister was asking for forgiveness of sins, I asked myself what those words meaned for this man. Afterwards, while we were all gathering around the coffee table, I saw my father approaching him. 'I see you are using crutches. Are you hurt?' The man said he had had a stroke while being in prison. My mother also went to one of the men. 'You were not attending last week, what happened?' He had been on leave.

____________________________________________________________________


13 maart 2011

Ik zat in de keuken en keek naar buiten. Door de achtertuin vlogen allerlei vogels. Ze tsjilpten en ze kwetterden. De nieuwe viooltjes leken het goed te gaan doen. Dit is nu mijn televisie geworden, besefte ik ineens. Mijn film, mijn dans, mijn muziek en mijn beeldende kunst. Mijn behoefte aan cultuur zit nog dieper dan ik dacht. Ik mis het verschrikkelijk dat ik hier in 'Hollands Siberië', zoals Veenhuizen vroeger werd genoemd, niet kan gaan bekijken wat anderen maken. Meteen de huis-aan-huis krant bestudeerd. Een filmhuisvertoning in het plaatsje Leek. Langs duistere wegen in de auto. Voel me nu goed.

____________________________________________________________________


6 maart 2011

Veenhuizen interesseert me vooral als gevangenisdorp. Over de periode die eraan voorafging, toen er hier gestichten voor landlopers en bedelaars waren, is al ruim voldoende geschreven. Twee jaar voor 'Het pauperparadijs' verscheen, publiceerde Wil Schackmann 'De proefkolonie', een knappe reconstructie van de manier waarop de Maatschap...pij van Weldadigheid vanaf 1813 heeft geprobeerd de situatie van grote groepen achtergebleven mensen te verbeteren. Terwijl ik het boek las, moest ik telkens aan de Europese Roma denken. Hun problemen zijn vergelijkbaar met die van arme negentiende-eeuwse Nederlanders, en de hardnekkigheid van die problemen ook. Het bevestigde mijn idee dat de gedragingen van bepaalde Roma vooral het resultaat zijn van een generatiesdurend gebrek aan geld. Aan de andere kant kreeg ik door het boek van Schackmann ook zelf een spiegel voorgehouden. Nachtenlang heb ik de afgelopen jaren wakker gelegen over de omstandigheden waaronder veel Roma het moeten zien te redden. Het liefst zou ik een hedendaagse Maatschappij van Weldadigheid voor de Roma oprichten. Géén giften meer. Wérken moeten ze, niet bedelen en verbrassen. Sinds ik 'De proefkolonie' heb gelezen, besef ik hoe snel in de praktijk de idealen van zo'n Maatschappij verwateren.

____________________________________________________________________


26 februari 2011

I wanted to check something, so I started off for the local cemetery. It's quite far away, near the woods. I knew that in the near future I would cover the same distance in a total different mood, because my parents will be buried there. I didn't want to think about it, so I tried to avoid the images which haunted my mind. But by doin...g that, I even saw more images. Luckily some familiar people happened to be at the cemetery. The same inmates who take care of the garden of my temporary house, were cleaning the paths and the lawns. 'Hi,' I said. 'Pretty well kept here.' They smiled and said 'you're welcome'. Later their boss came to me and started a conversation. No, his job was not stressful. When an inmate was irritating him, he just hid behind a tree and after a while he could stand the guy again. Some inmates refused to enter the gate of the cemetery, they said it was forbidden by their religion. 'Something like Hinduism, or whatever they call it. Winti, is that the word? One of them just refused in fact. I gave him something else to do outside the gate.' After I left the cemetery, I saw an inmate on his knees near a wooden bench. He was scrubbing it with a dish brush.

____________________________________________________________________


21 februari 2011

Ik fietste naar het Gevangenismuseum, waar ik een lezing ging geven voor een groep bibliothecarissen. Halverwege, op een kaal, winderig stuk, zag ik een vrouw dwalen. Ze was gekleed in het zwart en had lang donker haar. Toen ze me hoorde aankomen, draaide ze zich om en hield me aan. In gebroken Nederlands vroeg ze de weg naar een bepa...ald adres. Aha, dacht ik en wees in de verte. 'Ik ben te laat,' zei ze. 'Ik moest er om twee uur zijn. Ik heb wel vier uur gereisd.' Ik nodigde haar uit achterop te springen. Eerst lukte het niet, ze was te klein, maar uiteindelijk kwam ze toch op de bagagedrager van mijn omafiets terecht, met één been aan iedere kant, zoals mensen die niet uit een fietscultuur komen dat meestal doen. Terwijl ik het voorovergebogen op een racen zette, vertelde ze dat ze maar één uur spreekuur had. Ik racete nog harder en om kwart over twee kon ik haar afzetten voor het hoge hek van de gevangenis.

____________________________________________________________________


14 februari 2011

Early in the morning I decided to leave my desk. Went by bicycle to the Fochteloërveen, 26 square kilometres of childhood smell. Nobody around. Silence, a few birds. Far away in the distance I saw a cyclist, riding to me. His legs were moving fast. He was wearing a jacket that seemed familiar, but many people wear whitish colours. When he came closer I saw his striped knitted cap. Still didn't believe it was him. The movement of his legs were the movements of a sportsman. Another fifty metres to go and no doubt was left. This was my 82 years old father.

____________________________________________________________________


7 februari 2011

Visitors from Amsterdam! Together with our friends Alfred and Sophie we climbed the steps of this elaborate wooden tower, which oversees the Fochteloërveen, one of the most beautiful stretches of nature I know. Luckily I always forget what I wrote in my own books. I was told that in my novel De volmaakte man (The Perfect Man), a sex scene takes place in this tower. Really? I prefer to stay innocent. The view was fantastic.

____________________________________________________________________


7 februari 2011

Buiten zie ik geblindeerde busjes en blauwe gevangenisbussen voorbijkomen. Donkere mannen in fluorescerende hesjes ruimen de afgewaaide takken in mijn tuin op. Dat geeft dit verblijf in Veenhuizen het grimmige tintje dat ik nodig heb om het hier interessant te vinden. De eerste dagen waren eenzaam. Ik heb nooit een smartphone of Ipad willen hebben, met als argument dat ik een maker ben en geen consument. Gevolg: nog geen internet in de pastorie.

____________________________________________________________________


27 januari 2011

Drie gedetineerden hadden bladeren geharkt aan de overkant van de Kerklaan, precies zoals gedetineerden dat tijdens mijn jeugd deden. De bladeren vormden kegelvormige roodbruine hoopjes, je kon zien dat er heel veel tijd en aandacht aan was besteed. Ik dacht aan mijn broertje - dezelfde broer die nu ziek is. Op zijn jongensfiets racete hij dwars door de bladerhopen.

____________________________________________________________________


27 januari 2011

Certain people throw away certain things, not knowing that certain other people would like to have them. This lamp was waiting for us on a saturday morning in January in our street in Amsterdam, at the spot where we throw away our garbage. Now it acts as the showpiece in our temporary house in Veenhuizen. We are going to use five of the ten rooms. Until now the total cost of the furniture is 23,50 euro.

____________________________________________________________________


21 januari 2011

Rood bankje van het grofvuil: nul euro. Tienpersoons tafel van het grofvuil: nul euro. Stofzuiger, servies en ander klein spul: uit onze woonwagen. Matrassen voor logees: gekregen van buurvrouw in Amsterdam. Fauteuil en twee rotanstoelen: gekregen van Veenhuizers. Een set van drie eetkamerstoelen en een set van vier eetkamerstoelen: gekocht via Marktplaats op basis van een vage foto. Het leken me typisch pastorie-stoelen. Nu ze er eenmaal staan denk ik: zouden ze soms antiek zijn? Heeft iemand er verstand van?

____________________________________________________________________


21 januari 2011

First night in the parsonage. The smell of dust heated up by an old radiator. I look around, slightly depressed. 'I have experienced this before.' Yes, I've experienced this before. In all those cheap hotelrooms we have been staying in over the years. Paris, Belgrade, Sevilla, Bucharest, Tallinn, Prague, Chisinau, Madrid. I feel ageless.

____________________________________________________________________


17 januari 2011

This week I'm going to clean the parsonage where I will stay for three months, in the prison village where I spent my childhood. The priest who used to live there, was allergic to authorities. When he was talking with an important person and he saw prisoners mowing his lawn, he interrupted the talks and went outside to say hello. He gave money to inmates from Latin America to help them start a new life. From time to time he took the plane to see the results. The priest was a friend of my parents, who still live in Veenhuizen. A few years ago I took his picture. I will frame it and try to work according to his mentality.

____________________________________________________________________


17 januari 2011

De sleutel gekregen van de pastorie in het gevangenisdorp Veenhuizen, waar ik drie maanden mag wonen om onderzoek te doen voor een roman. Stof, schimmelgeur, water in de kelder. Tien kamers, allemaal leeg. Sporen van lekkage in de keuken. Ik begon me net af te vragen waar ik nu weer aan begonnen was, toen ik aan de andere kant van het raam een jonge man een bamboestruik zag afzagen. Een ploeg gedetineerden was mijn toekomstige tuin aan het onderhouden. Ze bivakkeren in een bouwkeet naast het huis. Heerlijk! Weer thuis.

____________________________________________________________________


5 januari 2011

Ja!!! Het ene project is nog niet eens helemaal afgerond, of het volgende kan beginnen. Ik mag drie maanden in een prachtig pand in het gevangenisdorp Veenhuizen wonen, naast het huis waarin ik ben opgegroeid. Vanuit deze pastorie ga ik onderzoek doen voor een nieuwe roman. Logees zijn vanaf 1 februari welkom - al heb ik nog geen meubilair. Met dank aan het Ontwikkelingsbureau Veenhuizen.

____________________________________________________________________


29 maart 2010

Cryptische crap                                                       

Pas was ik in Parijs. Het was zondagmiddag. Ik had gehoord over een installatie van Christian Boltanski in het Grand Palais. Ernaartoe natuurlijk. In lange rijen stonden de Parijzenaars te wachten. Toen ik eenmaal binnen was, zag ik gebruikte jassen in de tentoonstellingshal voorover liggen alsof het om perken uitgebloeide mensen ging. Rondom klonk uit luidsprekers het geluid van kloppende harten. Middenachter, onder de koepel van het Grand Palais, had Boltanski een enorme berg kleding neergelegd. Een grijper nam happen uit de top en tilde willekeurig jurken, bloeses en broeken omhoog. Na een paar seconden liet hij ze ook weer vallen, met uitgespreide armen of benen zweefden ze terug. Zielen waren het. Binnen een minuut stond ik te janken.

       Gisteren was het opnieuw zondagmiddag. Ik bevond me in een Nederlandse stad en bezocht daar het museum voor hedendaagse kunst. Er waren installaties te zien. Buiten stonden geen mensen in de rij. Binnen was ook niemand. Er was namelijk niets om van in vervoering te raken. Ooit is kunst begonnen als beeldtaal, in tijden dat de meeste mensen niet konden lezen. Tegenwoordig heeft een analfabeet weinig meer op een tentoonstelling te zoeken. Visueel is het meeste werk matig interessant, pas als je de begeleidende tekst hebt doorgenomen begin je er iets van te snappen. Welke diepere laag het werk moet beroeren wordt in de tekst meestal ook uitgelegd. Desondanks wordt die laag bij mij vrijwel nooit meer bereikt, hoogstens de laag van de ergenis.

        Wanneer heb ik in mijn eigen land nou voor het laatst iets van dezelfde grootsheid als de installatie in het Grand Palais gezien? Iets dat ontzagwekkend en ontroerend tegelijk was? Ja, de tentoonstelling van Aernout Mik in het BAK in Utrecht heeft indruk op me gemaakt. Maar dat was alweer bijna vier jaar geleden. En in De Pont in Tilburg is veel moois te zien, net als bij Foam en Huis Marseille in Amsterdam. Maar verder? Is er soms een samenzwering gaande waar ik niet bij hoor? Ik begin het contact met de beeldende kunst kwijt te raken, tenminste met de hedendaagse kunst die ons hier in Nederland wordt voorgeschoteld. En ik ben niet de enige. De laatste keer dat ik De Appel in Amsterdam bezocht, werd me daar zulke cryptische crap voorgezet dat ik naar de kassa ging om mijn geld terug te halen. Maar de aardige jongen die daar zat kon er ook niets aan doen, dus ik liet het zitten. Er waren die hele zondag ongeveer veertig bezoekers geweest, vertelde hij.

        In mijn kennissenkring gaat het gesprek vrijwel nooit meer over beeldende kunst. Wanneer hoor ik nou eens iemand zeggen dat hij het zo heerlijk heeft gehad in Smart Project Space? Mijn overbuurman, een ontwikkeld mens, vertelde een keer dat hij met zijn dochter van veertien naar de OBA was geweest, de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Omdat het tijdelijke Stedelijk Museum in het Post CS gebouw binnenkort zou sluiten, hadden ze spontaan besloten om ook nog even naar het Stedelijk te gaan.

        'En, hoe vonden jullie het?'

        Hij trok een vies gezicht. 'Het was niks.'

       Ik wist wat er te zien was op dat moment, maar was er zelf nog niet geweest. 'De genomineerden voor de Vincent Award, was dat dan ook niks?'

        Het antwoord bleef een mismoedige blik.

       Ik besloot om er zelf te gaan kijken met de ogen van mijn buurman. De tentoonstel-ling met de genomineerden voor de Vincent Award begon met een film van Deimantas Narkevicius. Het was een lange film, ik viel er middenin. Dat is vaak zo bij beeldende kunst tegenwoordig. De kunstenaars maken films met een begin en een eind die in een loop worden vertoond, maar welke bezoeker wacht nou nog tot die loop weer aan het begin is gekomen en blijft vervolgens drie kwartier of een uur zitten kijken op een keiharde bank, als er tenminste al een bank staat? En dan zeker doorlopen naar de volgende zaal en opnieuw een matige film van weet ik hoe lang uitzitten? Meestal gaat het om films die qua opbouw, beeldmateriaal en montage niet goed genoeg voor de bioscoop of de televisie zijn. Dat hoeft ook niet, want we zijn op een tentoonstelling. De kunstenaars weten dat ook, ze hebben hun films gemaakt met in hun achterhoofd dat wij er toch maar vijf minuten van consumeren. Maar waarom maken ze dan geen complete films van vijf minuten lengte? Of vinden ze het spannend dat we er middenin vallen?

      De rest van de Vincent nominaties. Tja. Ach. Liam Gillick, die zeer gewaardeerd wordt in het steeds kleiner wordende beeldende kunstwereldje, maar wiens video kil en onbegrijpelijk was, ik heb er niet langer dan twintig seconden naar kunnen kijken. Als je zoals mijn buurman en zijn veertienjarige dochter niet precies weet wat je je bij de naam Liam Gillick moet voorstellen loop je schouderophalend door, dan ga je echt geen lap tekst staan lezen waarvan de pretenties in de verste verte niet worden waargemaakt in het beeld. Denken conservatoren soms dat hun protégés de jonge kunstenaars – 'jong' is in Nederland een kwaliteitsnorm – gepromoveerd zijn in de filosofie? In werkelijkheid zijn het ook maar gewoon mensen die de middelbare school hebben gedaan en daarna een praktische opleiding, en als ze geluk hebben nog een jaar of twee een post-kunstacademische studie.

       Het ligt waarschijnlijk aan mij. Van die ouderwetse ratelende filmprojectoren en dan een vaag filmpje dat telkens herhaald wordt, je ziet ze overal. Teksten erbij in zelfvertaald Engels. Het kán goed zijn. Ik ben er wellicht te dom voor. Ik ben niet snob genoeg. Aan de andere kant: ik heb het vwo afgesloten met drie negens op mijn eindlijst, daarna een diploma van de Academie voor Beeldende Kunsten gehaald (op de experimentele afdeling nog wel), negen boeken gepubliceerd waaronder zes romans, recensies over kunstprojecten geschreven voor een blad van de Rijksgebouwendienst, ik ben getrouwd met een kunstenaar. Zijn die tentoonstellingen soms bedoeld voor types die nóg beter op de hoogte zijn?

      Het gaat belabberd met de beeldende kunst in Nederland en het wrange is: het kan niemand iets schelen. Alleen broodjesbakkers doen het nog goed. Plaatjesmakers, de bekende boven-de-bank-kunst. Bloemen, beesten, naakten; eind mei krijgen we weer Art Amsterdam. Er zal echt wel weer een breed publiek opaf komen. Schilderijen, tekeningen, dat werk. Handzaam en het kleurt leuk bij je meubilair. Een kunstenaar maakt iets, een koper betaalt ervoor. Maar dat is geen echt grootse en vernieuwende kunst, vernieuwende kunst wordt gemaakt door mensen met de omgekeerde mentaliteit. Zij hebben geld nodig om te kunnen werken en niet andersom, ze zien hun werk niet in de eerste plaats als iets dat inkomen genereert.

      Misschien zit hier een deel van het probleem. Net als in de wetenschap gelden er anno 2010 vooral 'nuttigheidscriteria' bij de subsidiëring van kunstenaars. 'Wij geven jou geld, en wat krijgen we er dan precies voor?' Alles gaat projectmatig. Kunstenaars besteden ontzaglijk veel tijd en energie aan het formuleren van uitgewerkte plannen, ze krijgen de kans niet meer om zomaar wat te dwalen en te denken. 'Van Gogh kreeg ook geen subsidies om te dwalen en te denken,' zou je daar tegenin kunnen brengen. Dat klopt, maar Van Gogh hoefde ook geen projectplannen in zoveelvoud in te dienen. Hij had een broer die zonder voorwaarden achter hem stond, die hem jarenlang conditieloos steunde, hoogstens gaf hij hem advies.  

      Dat we in Nederland op het moment geen toekomstige Van Goghs hebben, komt mede door de heersende ambtenarenmentaliteit. Iedere in potentie grote kunstenaar wordt kleingehouden. Hier een schraapje geld, daar een schraapje geld en het kunstenaarshoofd blijft weer een half jaar boven water. Een andere oorzaak ligt bij de expositiegelegenheden zelf, bij de keuzes die conservatoren maken en die vooral voor hun collega's bedoeld lijken te zijn. Hun tentoonstellingen worden langzamerhand driedimensionale boeken, theoretische teksten met een ruimtelijke afbeelding erbij. In het NRC van afgelopen zaterdag 27 maart schreef criticus Hans den Hartog Jager dat kunstbeschouwers op dit moment bij bosjes smelten als een kunstenaar nadrukkelijk laat zien dat hij veel onderzoek heeft gedaan. Ik citeer: 'Op het moment dat je er als toeschouwer niet in slaagt wat puzzelstukken aan elkaar te haken, blijf je achter met het gevoel een lompe zak te zijn, een beperkte geest die te weinig verfijnd is om de subtiele bedoelingen van de kunstenaar te kunnen doorgronden.'

       In Parijs, bij de installatie van Christian Boltanski, voelde ik me geen lompe zak.  Verpletterend.

____________________________________________________________________


18 oktober 2009

Gekromde staken

Op weg naar Roemenië overnachtten we in de buurt van de Oostenrijkse stad Linz. Toen we de volgende ochtend naar de snelweg reden, zag ik een bordje staan: Mauthausen 12 kilometer. Meteen zag ik ook een groot terrein dat werd omheind door een hek met het soort palen waarover ik net een artikel had gelezen in Vrij Nederland. Betonnen, van boven gekromde staken die in de Tweede Wereldoorlog rond concentratiekampen stonden. Ze werden gefabriceerd door degenen die er werden opgesloten. Zou dit hier kamp Mauthausen al zijn?

    We reden een weggetje op dat langs de karakteristieke palen liep. In het midden van het omheinde terrein zag ik barak-achtige gebouwen waartegen een stapel oliedrums lag. Ook meende ik een bunker te onderscheiden. Op het hek zat een bord: Tyrolux. Energie & Recycling GmbH.

   Ik stapte uit en begon foto's te maken. Vlakbij Mauthausen waren mensen een recyclingbedrijf begonnen en om het te omheinen hadden ze palen gebruikt die aan de misdaden van hun voorouders herinnerden. Hoe ver kon je gaan in je recyclingdrift?

    Er kwam een zilvergrijze auto aanrijden. De bestuurder, een oudere Oostenrijker die eruitzag alsof hij Josef Fritzl zou kunnen heten of in ieder geval met iemand van die naam in de zandbak had gespeeld, stopte naast me en draaide zijn raam open. 'Grüss Gott'. Ik zei ook 'Grüss Gott' en liep door. Met een van woede vertrokken gezicht zette de man zijn auto in de achteruit en reed met me mee. 'Ik ben van justitie. Wat doet u daar?'

   Moet je net zeggen tegen iemand die is opgegroeid in een justitiedorp. 'Kunt u bewijzen dat u van justitie bent?' vroeg ik koel. 'U heeft geen speciale auto, u draagt geen speciale kleding, u heeft zelfs geen naamplaatje op.'

    De man keek me sprakeloos aan. Zijn autoriteit werd in twijfel getrokken. Uiteindelijk stootte hij dreigend uit: 'Ik ga nú de politie bellen.'

  'Prima, ga rustig de politie bellen.' Ik maakte een nieuwe foto van de betonnen concentratiekamppalen.

    Fritzl racete met gierende banden naar onze auto. Ik wandelde achter hem aan en zag hem in een portofoon praten. Terwijl hij uitstapte schreeuwde hij buiten zinnen: 'Ik heb uw kenteken doorgegeven! Dit is justitieterrein!'

   'Meneer, deze palen zijn in de oorlog gebruikt om Lagers te omheinen,' zei ik in mijn kilste Duits.

    'U mag hier niet fotograferen.'

    'Als dat niet mag, zou er toch echt een verbodsbordje op het hek moeten zitten. Ik zie geen verbodsbordje.'

    Ik nam een laatste foto en stapte in onze auto. We reden weg. Even later zaten we op de snelweg richting Wenen. De eerste afslag kwam. Hij voerde naar Fritzl's woonplaats Amstetten.

____________________________________________________________________


8 oktober 2009

Het personage                                                     

Bijna al mijn boeken heb ik in onze woonwagen geschreven. Het is er stil, ik voel me er veilig. Televisie is er niet, evenmin als internet, waardoor ik met mijn personages alleen kan zijn. In Amsterdam voel ik altijd de aanwezigheid van degenen met wie ik word geacht me te meten. Mijn collega's zitten er, mijn vijanden sluipen er rond.    

      Nadat we dit voorjaar lange tijd in het buitenland waren geweest, bleek er een andere woonwagen achter de onze verschenen te zijn. Het was een mooie witte van plaatwerk, die slordig op een perceeltje grasland was neergezet. De boerin van wie we al twintig jaar ons plekje huren, vertelde dat de eigenaresse uit de Kinkerstraat in Amsterdam kwam.

        Het is nu vier maanden later. Ik heb altijd beweerd dat je er als schrijver voor moet waken om zelf een personage te worden. Niet ten onder gaan aan drugs, drank of depressie, laat dat nou maar aan je hoofdpersonen over. Nu lijk ik toch in een van mijn eigen romans terechtgekomen te zijn. De overstroming gaat over een vrouw in een woonwagen die in conflict met haar nieuwe, volksere buren is gekomen. Na een grote overstroming worden ze wel gedwongen zich tot elkaar te verhouden. Door dit boek te schrijven wilde ik onderzoeken of een mens via afkeer en opportunisme tot medemenselijkheid kan komen.

     Maar dat was theorie, nu blijk ik mijn eigen fictie te moeten waarmaken in de praktijk. De nieuwe buurvrouw heeft een hese, doordringende stem en een sterk Amsterdam accent. Ze durft geen moment met zichzelf alleen te zijn, voortdurend heeft ze gezelschap nodig. Als dat niet voorhanden is zoekt ze telefonisch contact. Het volume dat ze daarbij produceert maakt dat ik nauwelijks meer kan nadenken in onze woonwagen, laat staan dat ik er nog iets kan opschrijven.  

       Laatst heb ik het boek Tegen de onverschilligheid – pleidooi voor een moderne levenskunst van Joep Dohmen meegenomen naar de wagen. Ramen dicht, ter isolatie de gordijnen ook, dikke proppen watten in de oren; zo probeerde ik met behulp van Dohmens levenskunst de juiste houding te bepalen. Natuurlijk wist ik dat de uitkomst zou zijn dat ik rustig met de buurvrouw moest gaan praten. Tegelijkertijd verwachtte ik weinig resultaat; in de vrijheidsopvatting van sommige mensen is de vrijheid van een ander niet inbegrepen.

       Ik ging even de tuin in. Zoals altijd had ze bezoek. Binnenkort kwam er een sleutel in de schuur te hangen, verstond ik. Al haar vrienden konden dan haar woonwagen gebruiken.

      Een beklemd gevoel op mijn borst. Gauw naar binnen. Boek van Dohmen in een stevige greep, watten diep in de oren.

       En toch is het tot een krijspartij gekomen. De buurvrouw is van mening dat wij maar een andere plek moeten zoeken voor die woonwagen van ons.

       Geen idee hoe dit verhaal verder moet.

____________________________________________________________________


21 augustus 2009

De handkus (2)                                                            

Sabbaths Theater van Philip Roth was een revelatie voor mij. Zo duister, zo smerig, zo anders. Tijdens het lezen verbaasde het me dat niet iedereen het hierover had.

     Natuurlijk ging ik naar de première van de film van Michaël Zeeman over Philip Roth. Zeeman was er zelf ook, en toch kon ik hem na afloop nergens meer vinden. Daarom stuurde ik hem de volgende dag een e-mail met de woorden die ik tegen hem had willen zeggen.

     Zijn antwoord kwam snel. Geteisterd door schaamte en verlegenheid bleek hij tijdens de vertoning 'stillekens' uit De Balie te zijn weggeslopen. Daarom was een reactie als de mijne, na een slapeloze nacht vol zelfverwijt, meer dan welkom.

      Ik vermoed dat hij het meende. Dat Michaël Zeeman zelf zo weinig boeken heeft geschreven, komt juist door zijn omgang met grootheden als Roth. Langzamerhand ging hij denken dat hij zich alleen met deze mensen kon meten door met een omhaal aan woorden te schrijven. Wat mij betreft waren zijn artikelen de laatste jaren soms onnodig ingewikkeld. Het is de vraag hoe pretentieus hij het zou aanpakken bij een roman.

     Bovendien: hij durfde niet. Een schrijver van fictie heeft de moed nodig om – alle slapeloze nachten vol zelfverwijt ten spijt – zijn naam op een kaft te laten zetten dat thema's omsluit die hem ten diepste aan het hart gaan.


__________________________________________________________________  


18 augustus 2009

De handkus                                                          

Het Fonds voor de Letteren jubileerde, wat werd gevierd in Felix Meritis aan de Keizersgracht. Welk jaar het was weet ik niet meer, de dag nog wel, 29 september, het staat op een wit kaartje dat ik bij binnenkomst kreeg nadat ik op verzoek lukraak twee nummers had genoemd. Ze waren gekoppeld aan poëziefragmenten. Het zat me mee, bij mijn eerste nummer hoorden de woorden 'Het licht is...' van E. Hoornik. De woorden van het tweede nummer bleken er prachtig op te volgen: 'onder mij gevonden' van M. Nijhoff.

      Wat een avond. Een grote man kwam naar me toe, pakte mijn hand en drukte er behoedzaam een kus op. Hij stelde zich voor: Michaël Zeeman. 'Mevrouw,' begon hij plechtig. 'Ik heb uw roman Bokkezang gelezen. Staat u mij toe er iets over te zeggen?'

       'Alleen als je me geen u noemt.'

       'Mag ik u mijn complimenten over de stijl van de roman overbrengen?'

      De rest van de conversatie herinner ik me niet. Ik was blij, juist omdat het over dit boek ging, dat voor veel Nederlandse lezers te ongewoon is. Dat het later een publiek in Rusland zou vinden kon ik niet vermoeden.

      In het vervolg keek Zeeman over mijn schouder mee als ik aan het schrijven was. In zekere zin vond ik het een opluchting dat hij op een gegeven moment besloot om voor zijn krant geen Nederlandse literatuur meer te bespreken. Ik weet niet of hij andere romans van me heeft gelezen, ik heb er in ieder geval nooit meer een compliment over mogen ontvangen. De eerste zonde was niets voor hem, dat lijkt me duidelijk, maar Liefdeslied van een reiziger zou aan zijn standaard kunnen voldoen.

        Plotseling is hij dood.

____________________________________________________________________

 

Alexander Pechtold en Mariët Meester - Veenhuizen 2007

13 december 2008

De categorie                                                         

Laatst liep ik met een schrijver op straat. 'Ik ben mislukt,' sprak hij. 'Nou ja, ik ben eigenlijk helemaal niet mislukt. Alleen weet niemand dat.'

    Schrijvers kunnen worden ingedeeld in twee categorieën, de burgers en de vrijbuiters. Om in Nederland succes te hebben moet je in de eerste categorie passen. Braaf lezingen geven, altijd bereikbaar zijn, links en rechts contacten leggen, doen wat je uitgever van je wil. En, het belangrijkste, je moet telkens min of meer hetzelfde boek schrijven. Ga vooral niet experimenteren zoals die rare collega's van je doen, de vrijbuiters, zoekers, twijfelaars en onhandige klungels. Mocht je toch ineens de kolder in de kop krijgen waardoor je tot de tweede soort gaat behoren, wees dan zo slim om je gekte tot in het extreme te cultiveren. Je bent dan in een hokje te plaatsen en valt toch weer onder de burgerlijken.

     Zelf dacht ik altijd dat ik een mix tussen de twee soorten was. Ik doe de hele tijd mijn best om niet té raar gevonden te worden, probeer te begrijpen hoe anderen denken. Tenslotte moet ik mijn geld ergens vandaan halen, zonder lezers heb ik niet te eten. Toen ik vorig jaar vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen een uitnodiging ontving om mijn laatste roman aan Alexander Pechtold aan te bieden, de D66-leider, dacht ik dan ook: eigenlijk deugt het niet, ik wil niet geassocieerd worden met een politieke partij, maar de burgers onder de schrijvers doen dit soort dingen voortdurend en kijk eens hoe het ze vergaat. Nadat de organisatie van de D66-bijeenkomst me ook nog had laten weten dat er veel pers aanwezig zou zijn, besloot ik om nou eens één keer volledig naar de eerste categorie over te stappen.

   Ik verplaatste me van Amsterdam naar het Gevangenismuseum in het Drentse Veenhuizen, want daar zou de bijeenkomst plaatsvinden, Pechtold was bezig met een noordelijke verkiezingstournee. Vooraf was ik zo verstandig geweest naar een reiskostenvergoeding te vragen, het ging echt de goede kant op met mij. Minpuntje was wel weer dat ik het boek zelf had gekocht en betaald. Toen het moment van overhandiging daar was, maakte ik een grapje over de titel, De volmaakte man, dat leek me iets wat categorie één ook zou doen. De politicus reageerde met een speech over zijn voorvader Bechtold, die in de landlopersgestichten van Veenhuizen bleek te hebben gezeten. Van de beloofde journalisten was er niet één aanwezig, de onthulling bleef dus onder ons, en 'ons' betekende in dit geval: enkele mensen van D66-Drenthe, een liedjeszanger die zich net als ik had laten lokken, de pr-persoon en de directeur van het Gevangenismuseum.

     Ik vergat het debacle zo snel mogelijk. Tot ik een jaar later, terwijl ik in het buitenland verbleef, het was nog mijn verjaardag ook, van maar liefst twee mensen een nieuwtje kreeg doorgespeeld. Veenhuizen was op het NOS-journaal geweest, een lang item was het! Het ging over Alexander Pechtold, super interessant! Wist ik dat een van zijn voorouders als landloper in Veenhuizen had gezeten? Het Gevangenismuseum was daar toevallig achter gekomen en had bedacht om Pechtold een database te laten openen met gegevens over de vroegere gestichtsbewoners. Aanleiding was het boek van die ándere schrijfster over Veenhuizen, de schrijfster met het boek waarin gewone mensen zich zo herkenden. Ook zij trad op in het journaal.

     Ik vrees dat er niets aan te doen is. En dat ik er ook niets aan wíl doen. Categorie twee.

____________________________________________________________________


6 december 2008

Het pak                                                                        

Van beige tricot had hij een pak gemaakt dat nauw om zijn lichaam sloot. Ik moest hem helpen om erin te komen. Terwijl hij op de grond lag trok ik zijn puntige muts recht, snoerde zijn voeten bijeen. Via ooggaatjes kreeg hij wat lucht. De videocamera hing aan het plafond, zijn aanwijzingen opvolgend drukte ik op de aan-knop van de afstandsbediening. Ook zette ik techno muziek in gang, zodat hij op het ritme kon gaan bewegen. Daarmee werd zijn doel bereikt: hij leek zo sprekend een worm.

       De opnames duurden meerdere minuten. Telkens moest het weer over, ik begon me te vervelen. Ondertussen kon ik best even in de andere kamer televisie gaan kijken. Op een van de zenders bleek ene Balkenende live aan het woord te zijn. Ik volgde een betoog over normen en waarden, tot ik me realiseerde dat de persoon die zwetend lag te kronkelen van precies dezelfde leeftijd was.

     De opnames werden afgekeurd. Het idee was te dun, het resultaat had te weinig zeggingskracht. Wat heeft het voor zin om een worm te zijn als er geen stevige thematiek aan ten grondslag ligt?

       Maar ik hield van de man in dit pak, niet van die in dat andere.

__________________________________________________________________


29 november 2008

Onbekommerde schoonheid                              

Geroffel van voeten op de trap. 'Help! Kom meteen naar beneden!'

      Man. Bezig met zijn werk als beeldend kunstenaar. Ik wist dat hij net naar de hengelsportzaak was geweest. Zijn nieuwste installatie bestond uit een platte bak waarvan de bodem was bedekt met maden. Er bovenop lag een papieren bootje met een halfnaakt meisje erin. Doordat de maden bewogen, leek het meisje te drijven op een golvende zee. Kunstkenners die aangetrokken door haar onbekommerde schoonheid met hun neus boven de bak gingen staan, ontdekten pas dan dat het meisje werd voortbewogen door vertegenwoordigers van het verval.  

          'Help, help! Kom alsjeblieft!'

      Ik rende naar beneden, naar de woonkamer. Hordes maden kropen over de eettafel, vielen ervanaf, wandelden over de plankenvloer.

        'Ik had een emmervol maden met water afgespoeld zodat ik een mooie foto van de installatie kon maken. Ineens waren ze zo glad, dat ze zomaar de emmer uit konden komen!'

      Beeldende kunst, prima. Assistentie verlenen, ook prima. Maar dit zocht hij zelf maar uit. Ik stormde naar mijn werkkamer terug en sloot me op.

         Hij schijnt een oplossing gevonden te hebben. Er waren weinig vliegen dat jaar.

__________________________________________________________________


22 november 2008

Het mes                                                                 

Aan mijn manuscript ontbrak nog steeds een scène waarin de ik-figuur een muskusrat slacht. Man wist raad. Hij benaderde een rattenvanger. Ineens lagen er twee in kranten gewikkelde vormen in het vriesvak van de koelkast. Pas na drie weken durfde ik een van de pakketten eruit te halen en op een snijplank te leggen. Op mijn verzoek filmde man mijn handen, die wel wat beters te doen hadden dan het maken van aantekeningen.

       Ik slachtte, braadde en verorberde. Daarbij gilde en huilde ik, dit greep diep in. De beelden hielpen me om woorden te vinden. Maar man besloot ze ook zelf te gebruiken; hij monteerde er een filmpje van. Later vertoonde hij het tijdens videovoorstellingen in allerlei Europese landen. In het voormalige Oostblok leidde dat telkens tot hetzelfde tafereel: minimaal vier personen per voorstelling verlieten de zaal. Er waren stoere kerels bij, die in hun land conflict na conflict hadden uitgevochten. Maar het mes in de handen van een schrijfster was ze te veel.

       Ik heb intussen het vermoeden dat de oorlogen op de Balkan eerder met angst, dan met mannelijke macht te maken hadden.